Erotiek
Zusters en broeders,
Het leek een beetje een belegen samenkomst te worden; het was ook wel wat belegen. Vooral mannen, op leeftijd, in bedekte pakken, soms met flinke baarden, die zich aan een Utrechtse gracht bogen over het onderwerp ‘doxologie.’ Ook ik vond mijzelf terug onder deze collega’s. Ik zal de ins en outs van de doxologie niet in alle details uit de doeken doen; maar dit: het gaat over lofprijzing. Of het daarmee direct aantrekkelijker wordt is de vraag. Bij het woord lofprijzing denken we misschien aan veel halleluja, en hippe muziek van hemelbestormende evangelische christenen. Met strakke band en dito lichtshow. Misschien anders dan de bedaagde emeriti bij wie ik vorige week in Utrecht aanschoof, maar evenmin zomaar voor ons aanlokkelijk. Maar bij de eerste lezing op die conferentie al viel een woord dat ik niet zomaar zou hebben verwacht. Het ging over de erotiek van de liturgie. Dat is een woord dat misschien niet als eerste bij ons opkomt als we aan liturgie denken. Ook niet een woord dat in het gezelschap (van bebaarde mannen) als eerste bij me opkwam, maar ik dacht er wel aan terug bij het lezen van de tekst van vandaag. Want de profetie van Jesaja spreekt van verlangen, heeft het over een jongeman die een meisje tot vrouw neemt, en vergelijkt God met een bruidegom die zich verheugt over zijn bruid. En erotiek is een woord dat verlangen uitdrukt, en dus toch Bijbelser dan we op het eerste gezicht zouden denken?
Het woord erotiek heeft in onze tijd doorgaans de platte associatie van seksuele lustbehoefte en wordt dan al snel in verband gebracht met commerciële ranzigheid. Desnoods gegenereerd door AI, heeft het weinig met mensen van vlees en bloed te maken, hoeveel bloot er ook wordt getoond. Het gaat om snelle bevrediging die kan worden verhandeld en beheerst, waar de ander een soort van bezit wordt.
En dat is juist niet in het spel wanneer het in liturgische zin om verlangen gaat. Dan is eerder een hunkering naar geborgenheid aan de orde. Gaat het juist niet om bezit, want in de liturgie bezitten niet wij, maar is God de eigenaar. Het gaat niet om snelle bevrediging, maar eerder om diepe voldoening. Het gaat niet om kopen of beheersen maar om overgave, en vertrouwen. Want we komen bij God aan huis.
Niet altijd heeft ook de kerk dat even scherp in het oog gehad. In de geschiedenis van het christendom heeft de kerk toch te vaak de pretentie gehad om het heilige te bezitten. Zo was het de kerk die het avondmaal, het sacrament, bediende, beheerde, maar ook beheerste. De kerk kon het uitdelen, maar ook onthouden aan mensen. En als je zielenheil met de sacramenten samenhing of er afhankelijk van was, dan kon de kerk daar een flinke macht mee hebben. En die macht gebruiken of misbruiken. Zo kon de kerk wel eens op de stoel van God zijn gaan zitten. Evenzo is de pretentie niet vreemd geweest dat de kerk toegang tot de waarheid van God had. De geestelijkheid had kennis van de Bijbel en wist hoe het zat. Daarmee kun je anderen nabij zijn, maar je kunt ze ook overvleugelen en overstemmen. En gezegd moet zijn dat de kerk en de geestelijken (niet zelden bebaard en bedekt gekleed) die verleiding niet altijd heeft kunnen weerstaan. Niet zelden heeft de kerk zich het gelijk van God toegeëigend en daarmee met hel gedreigd of hemel beloofd. Alsof het aan de kerk was om dat uit te delen…
Het heeft de kerk uiteindelijk geen goed gedaan. En misschien is dat maar goed ook. Veel en vaak is er gemopperd over de kerk als instituut. ‘Stoffig en ouderwets,’ wordt er vaak gezegd. Met taal die we niet verstaan en vormen die we niet begrijpen. Zou het niet wat hipper mogen? Als het om liturgie gaat, zou het misschien wel wat verleidelijker mogen, wat erotischer (?), mogen?
Of is toch niet de vorm, maar wat dieper gestoken, toch de inhoud meer het probleem: dat we niet met de waarheden van anderen om de oren willen worden geslagen, die niet ons, maar hun eigen belang op het oog hebben? Te vaak is kerkverlating als bevrijding ervaren: geen dominee of priester die je in de nek hijgt en die je kaalplukt. En geen angst meer voor verhaaltjes waar je gelukkig niet meer in hoeft te geloven. Te vaak opgelucht, hebben mensen de kerk achter zich gelaten. En dan heeft de kerk iets laten liggen. Want het geloof zou toch gemist moeten worden? Het zou mensen toch goed moeten doen? Met de leegloop van de kerken hebben we ons vaak afgevraagd hoe we het tij konden keren. Begrijpelijk genoeg, maar toch niet de juist insteek. Want dan gaat het opnieuw over het belang van de kerk zelf. Terwijl de diepste boodschap toch is dat het om de ander gaat. Misschien zijn we ons daar onderhand beter van bewust. Dat we de kerk niet moeten proberen te redden, maar dat we Gods liefde moeten uitdragen en laten zien. Omdat dat mensen goed kan doen.
Dat gaat niet over macht, of over waarheid, of over manipulatie, maar dat gaat over verlangen. En dan komt er verrassend genoeg, misschien inderdaad erotiek om de hoek. Het gaat over het verlangen om gekend en gezien te worden. Het verlangen om plek te krijgen en deel uit te maken van een gemeenschap die zich om je bekommerd. Met alle vragen die je op de kerk kunt hebben, en alle kritiek die kan sudderen, is dat wel degelijk wat de geloofsgemeenschap gelukkig vaak waar heeft kunnen maken. En dan gaat het om méér dan alleen lid te zijn van een club, het gaat zeker óók om gekend en gezien te zijn bij en door God. Want in Zijn liefde zijn we bewaard. En mag die aanvaarding door God niet de basis van ons leven zijn? Op die manier zet Paulus het volgen van Jezus af tegen de geloofsopvattingen van andere Joden. Volop woedde de discussie in de eerste eeuw hoe je ‘rechtvaardig’ moest worden; hoe je, kort gezegd, met God door één deur kon. Moest je precies de Joodse wet volgen, of mocht je vertrouwen op genade? Paulus bespreekt het in termen van besnijdenis, maar eigenlijk gaat het om het verschil tussen verdienste of overgave. Paulus zal de overgave centraal stellen. Verdienste is niet een voorwaarde, want dan zou het een recht worden waarmee dat je de liefde van God af kunt dwingen; zou kunnen kopen, aanschaffen, beheersen en bezitten. En dan zou God in onze macht staan, en niet andersom.
Het is beter. God geeft het ons uit liefde. We hoeven het niet af te dwingen, op te eisen of aan te schaffen. We mogen het ontvangen. Dat hoeven we niet te verdienen met braaf of deugdzaam zijn. Daar worden geen voorwaarden aan gesteld. Gods liefde is onvoorwaardelijk. We hoeven het alleen te aanvaarden. Aanvaarden dat je aanvaard bent met alles wat er is. Niet alleen met de goede dingen, maar zeker óók met alles wat er niet aan je deugt. Zou je dáár niet naar hunkeren? Dat je bestaan er zomaar toe doet?
Er wordt wel eens gedacht dat de ontkerkelijking het einde van het geloof betekent. We hebben de praatjes van de geestelijkheid doorzien, en afgerekend met de macht van de kerk. Weldenkende mensen doen niet aan God, want zijn volstrekt ‘autonoom’. Ja, en eenzaam. Volstrekte autonomie is volstrekte onafhankelijkheid; niets en niemand hebben we nodig. En niets en niemand heeft ons nodig. Niemand betekent werkelijk iets. Alleen in bewondering en heimelijke afgunst wordt er naar ons omgezien, alleen instrumenteel, als we de lakei van een ander zijn, zijn we van waarde. Geen enkele verplichting wordt opgebouwd, geen enkele verplichting zouden we willen. Dan zit er nooit iemand op je te wachten en ben je volkomen inwisselbaar. Wat betekent je leven dan?
Zouden we niet verlangen naar Iemand die naar ons verlangt? Niet om wat we doen, of wat we betalen kunnen, maar gewoon om wie we zijn? Iemand die ons onvoorwaardelijk aanvaardt? En die blij met ons is. Is dat niet: God? Onomwonden spreekt Jesaja van het verlangen van God, naar ons. Hij wíl ons nodig hebben. Is dat niet wat we een paar weken geleden met kerst hebben gevierd? Als God aan zichzelf genoeg zou hebben, waarom zou de Zoon dan op aarde zijn gekomen? In de gestalte van een weerloos kind komt Hij ons tegemoet. Hij biedt liefde, om liefde op te roepen. Niet in de overtroevende Almacht die ons Zijn wil oplegt, komt Hij, maar in de overrompelende kwetsbaarheid die onze koestering vraagt. God heeft ons nodig; en wil ons nodig hebben.
In de grond is dat: erotiek. En dat zit allemaal in de liturgie…? Herkennen we dat dan? Of zou het dan wel wat mogen worden gepimpt? Want erotiek is toch ook uitdagend, prikkelend, aanlokkelijk, verleidelijk. En zijn onze kerkdiensten dat wel? Moet het niet allemaal wat hipper? Zoals de lofprijzing met een strakke band en dito lichtshow. Kan misschien, band en lichtshow… Of gaat dat misschien toch wat te veel naar de platte bevrediging van behoeftes, ook als dat religieuze behoeftes zouden zijn? Dient dat, of drukt dat weg, de diepere voldoening dat wij nodig zijn. En dat we daarin onze bestemming in de wereld kunnen vinden? Dan gaat het niet om spektakel, maar eerder om rust, om verstilling, dan hoef je niet vermaakt te worden, maar mag je op adem komen. En mag je in diepe dankbaarheid aanvaarden dat je door God bent aanvaard, ook al zou je onaanvaardbaar zijn. Dát is in essentie de lofprijzing: doxologie. Dat is niet maar een moeilijk woord, dat is de dankbaarheid waarin je jezelf kunt terugvinden.
Amen
Deel deze preek
Jesaja 62: 1-5
Omwille van Sion zal ik niet zwijgen,
omwille van Jeruzalem ben ik niet stil,
totdat het licht van haar gerechtigheid daagt
en de fakkel van haar redding brandt.
Alle volken zullen je gerechtigheid zien,
alle koningen je luister.
Men zal je noemen bij een nieuwe naam
die de HEER zelf heeft bepaald.
Je zult een schitterende kroon zijn
in de hand van de HEER,
een koninklijke tulband
in de hand van je God.
Men noemt je niet langer Verlatene
en je land niet langer Troosteloos oord,
maar je zult heten Mijn verlangen
en je land Gehuwde.
Want de HEER verlangt naar jou
en je land wordt ten huwelijk genomen.
Zoals een jongeman een meisje tot vrouw neemt,
zo zullen jouw zonen jou ten huwelijk nemen,
en zoals de bruidegom zich verheugt over zijn bruid,
zo zal je God zich over jou verheugen.