Bruiloft te Kana
Zusters en broeders,
Jezus blijkt nóg een keer in Kana te komen, daar ‘waar hij van water wijn had gemaakt’. Waarschijnlijk is het niet zo gek dat Hij er vaker kwam. Want mogelijk lag het gewoon aan de weg van Nazareth, waar Jezus vandaan kwam, naar Kafernaüm, waar Hij later woonde. Maar heel zeker weten we het niet, want er worden ook wel andere plaatsen aangewezen. In Kana doet Jezus Zijn eerste wonder. Nou ja, ‘teken’ noemt Johannes het eigenlijk. Nou ja, Johannes… eigenlijk weten we ook niet heel precies of Johannes, en dan nog wèlke Johannes precies, dit evangelie heeft geschreven. In het eerste hoofdstuk staat er weliswaar uitdrukkelijk dat het om het ‘getuigenis van Johannes’ gaat, maar even duidelijk slaat dát op Johannes de Doper, die van de komende Zoon van God getuigt. De schrijver wordt in het evangelie zelf ‘de leerling die Jezus liefhad’ genoemd; een intieme leerling aan wie Jezus ook de zorg voor Zijn moeder zou toevertrouwen. Deze leerling wordt zes keer expliciet genoemd in het evangelie, maar de eerste keer is bij het laatste avondmaal. Wie die speciale leerling is, is dus niet zo heel duidelijk, en of hij ooggetuige was bij de bruiloft van Kana nog veel minder.
Maar kennelijk is dat in de Bijbelse context niet zo heel belangrijk. De verhalen zijn niet sluitend, en worden niet sluitend gemaakt. Direct na de bruiloft van Kana vertelt dit evangelie hoe Jezus naar Jeruzalem ging en hoe Hij de handelaren uit de tempel jaagt. Meteen aan het begin van het optreden van Jezus dus. In de andere evangeliën gebeurt hetzelfde, maar dan vlak voor Pasen, aan het eind van het optreden het Jezus. Als de verhalen over Jezus om historische feitelijkheden zouden gaan, dan zouden we het nodige masseerwerk moeten doen om deze spanningen glad te schuren; en vaak genoeg is dat ook gebeurd.
Maar misschien miskennen we dan de diepgang van de verhalen die meer om religieuze betekenis, dan om eenmalige bijzonderheden gaat. Dan slaan we de betekenissen dood en veranderen we, in de woorden van Nico ter Linden, wijn in water. Vast gaat het om de betekenis van de verhalen, maar kan, net als bij andere wonderverhalen, niet hier de vraag opkomen of het 'echt is gebeurd'; en hoe dat dan zou kunnen. Mag die vraag dan niet?
De bruiloft te Kana gaat om het eerste ‘teken’. Daarmee bedoelt de schrijver eerder een iets dat kenmerkend is voor het hele optreden van Jezus, dan dat er niks vóór gebeurde. Jezus wordt aan het begin van dit verhaal meteen duidelijk geplaatst. In de andere evangeliën worden veel gelijkenissen vertelt, dat gebeurt in dit 4e evangelie niet, maar de gebeurtenissen zelf zijn ‘tekenen’. En be-tekenen daarmee veel meer dan alleen maar een simpele gebeurtenis; hoe wonderbaarlijk die ook zou zijn.
In het geval van de bruiloft van Kana zijn er allerlei betekenissen die er tamelijk dik bovenop liggen. De stenen vaten bevatten het water waarmee het Joodse reinigingsritueel werd uitgevoerd. Met water moest rituele bezoedeling worden afgewassen, en dat moest, volgens het Oude Testament, steeds opnieuw gebeuren. Maar in het Nieuwe Testament is het het bloed van Christus dat ons van onreinheid schoonwast, en dat éénmalig in de doop voldoende is. Het bloed van Christus is de wijn van het koninkrijk dat overvloedig vloeit. De praktijk van cultische wetten is in Christus veranderd in de vreugde van wijn. En dan nog wel de beste wijn. Het hoogtepunt van het feest komt aan het eind. Normaal dooft een feestje langzaam uit suggereert het verhaal, maar hier moet het beste nog komen. En dat terwijl het feest lelijk in de soep dreigt te lopen, want de wijn raakt op. Is de zeggingskracht van het joodse feest inmiddels uitgeput? Als hier spanningen tussen Joden en Christenen in meeklinken, dan speelt de crisis in het jodendom ongetwijfeld óók mee. De crisis namelijk dat in de loop van de eerst eeuw, in het jaar 70, de stad Jeruzalem door de Romeinen werd ingenomen en de tempel werd verwoest. Het centrum van het Joodse leven was daarmee weggevaagd. Voor sommige joden was dat reden om geheel afstand te nemen van hun traditie, voor anderen om er des te sterker aan vast te houden. Weer anderen bogen bepaalde inzichten om en pasten hun overtuigingen aan aan het griekse denken. Weer anderen meenden dat er iets nieuws moest komen. Of liever: dat dat nieuwe er al was: Jezus, die de Christus was en die de tempel overbodig had gemaakt omdat we onszelf niet steeds opnieuw cultisch hoeven te bewijzen, maar het van Hem mogen krijgen. In dit 4e evangelie zijn er voortdurend strijdgesprekken tussen verschillende soorten joden en ongetwijfeld speelt de verwoesting van de tempel daarbij een belangrijke achterliggende rol. Want zeker is ditt evangelie ná de verwoesting van de tempel geschreven.
Bij deze opvattingen gaat het om het begrijpen van de tijd, en om het duiden van gebeurtenissen. Het gaat om betekenissen en hoe je je daartoe hebt te verhouden, en dat gaat om veel méér dan om het vaststellen van losstaande feiten. Maar zíjn die er dan niet; feiten, misschien wel wonderbaarlijke feiten? Bij het tweede bezoek van Jezus laat Jezus zich er eigenlijk een beetje laatdunkend over uit: ‘jullie geloven niet als je geen tekenen en wonderen ziet!’ En dat is geen aanbeveling. De wonderen en tekenen die Jezus doet zijn niet bedoeld als bewijzen van Zijn wonderbaarlijkheid. Maar tonen iets van de wonderbare kracht van God, die alle verstand te boven gaat.
Ergens is het ongepast om dan te vragen of het niettemin ‘echt gebeurd’ is. Op veel studentenfeestjes wordt daar halsreikend naar uit gezien, op menig feestje zou het veranderen van water in wijn een uitkomst zijn geweest. Bij feestjes kunnen we de teleurstelling meestal nog wel verdragen, maar wat bij ernstige ziekte? Bij een stervend kind? In die wanhoop komt de hoveling uit Kafernaüm bij Jezus; met zo’n wanhoop kunnen ook wij bij God komen. Als we in angst en nood zijn gezeten. Is het vreemd om dan om een wonder te vragen? En is dat niet een onderliggende vraag, ook bij de bruiloft van Kana? Of het ‘echt’ is gebeurd?
Wie de historische juistheid van verhalen onderzoekt, zal bij deze verhalen sceptisch zijn. Wonderen druisen in tegen de wetenschap, en kunnen dus niet. Want de verklaringen zijn niet sluitend, of laten te veel gaten en aannames staan, of zijn in strijd met andere gegevens. Een feit kan een wonder nooit zijn, want het is altijd onwaarschijnlijk. Als we er met ons verstand niet bij kunnen, kunnen we het niet als kennis beschouwen.
Dikwijls zijn wonderen zo afgeschreven. Voor sommigen was het reden om afstand te nemen van het geloof, anderen bezwoeren hun vragen door er des te sterker aan vast te houden. Weer anderen buigen de verhalen om en gaan alles symbolisch interpreteren. En weer anderen menen dat het misschien om iets anders gaat: iets nieuws. Niet om de vraag wat er achter ons ligt, maar wat ons wordt aangezegd. En zou dan de onwaarschijnlijkheid van wonderen bezwaarlijk zijn? Wonderen zijn toch per definitie onwaarschijnlijk? Ze gaan om het onverwachte en ongedachte, zijn juist niet normaal. En mogelijk niet verklaarbaar, wetmatig of bewijsbaar. De verhalen van wonderen kunnen niet worden aangeraakt door een geschiedschrijving die op waarschijnlijkheid is gestoeld. En daarmee kunnen ze niet als historische feiten worden voorgesteld. Maar zijn de verhalen daarmee betekenisloos? Of gaat de Blijde boodschap alle verstand te boven?
Als wonderen om het onverwachte, onvoorziene, en onwaarschijnlijke gaan, dan kunnen wij er met ons verstand niet bij. En onttrekt het zich dus ook aan wetenschappelijke verklaringen. Maar wetenschap realiseert zich terdege dat haar conclusies voorlopig zijn; er kunnen onverwachte wendingen zijn. Onverklaarbare gebeurtenissen. Zelfs onverklaarbare genezingen. In de wetenschap is dat toeval; wellicht reden om de theorieën aan te passen of te vervangen. Vooreerst past het niet in de verklaringen. Maar is het daarmee betekenisloos? Of is zo’n uitzondering op wat je had verwacht een teken, een be-tekenis die het leven kan verdiepen of verrijken, zelfs volkomen kan veranderen? Dan gaat het niet om zo’n gebeurtenis, zo’n feit, op zichzelf, maar om de diepgang die het hebben kan. Vast blijft het dan toeval, maar toeval met betekenis. Toeval met dankbaarheid; misschien wel een definitie van wat een wonder is. Je hebt het niet in de greep, en kunt er geen beleid op voeren. Je kunt alleen overgeven en aan God toevertrouwen. Dat is wat geloof is: vertrouwen. En toevertrouwen is precies: het in gebed bij God brengen. Bidden om een wonder is niet vereisen dat God doet wat wij Hem opdragen, maar is dat we aanvaarden hoe het lopen zal. Omdat we ons leven in Zijn hand hebben gelegd, en we daarin rust mogen vinden.
Amen
Deel deze preek
Johannes 4: 43-54
Na die twee dagen trok Jezus verder naar Galilea, want Hij had zelf gezegd dat een profeet in zijn vaderland niet wordt erkend. Toen Hij in Galilea kwam, ontvingen de mensen Hem gastvrij omdat ze hadden gezien wat Hij op het feest in Jeruzalem allemaal had gedaan; daar waren ze zelf bij geweest. Hij ging in Galilea weer naar Kana, waar Hij van water wijn had gemaakt.
Er was daar een hoveling uit Kafarnaüm wiens zoon ziek was. Omdat hij gehoord had dat Jezus uit Judea naar Galilea was teruggekeerd, was hij naar Hem toe gekomen, en nu vroeg hij of Jezus mee wilde gaan om zijn zoon, die op sterven lag, te genezen. Jezus zei tegen hem: ‘Jullie geloven alleen maar als je tekenen en wonderen ziet!’ Maar de hoveling drong aan: ‘Heer, ga toch mee, voordat mijn kind sterft.’ ‘Ga maar naar huis,’ zei Jezus, ‘uw zoon leeft.’ De man geloofde wat Jezus tegen hem zei en ging weg. En terwijl hij nog onderweg was, kwamen zijn dienaren hem al tegemoet om te zeggen dat zijn kind in leven was. Hij vroeg hun sinds wanneer het beter met hem was gegaan. Ze zeiden: ‘Gisteren, een uur na de middag, is de koorts verdwenen.’ De vader besefte dat dat het moment was dat Jezus tegen hem gezegd had: ‘Uw zoon leeft.’ Hij kwam tot geloof, hij en al zijn huisgenoten. Dit deed Jezus toen Hij uit Judea naar Galilea was teruggekeerd; het was zijn tweede teken.
<a href="https://www.debijbel.nl/NBV21">NBV21 © 2021 Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap</a>
https://www.debijbel.nl/bijbel/NBV21/JHN.4.43-JHN.4.54