Alle preken

Barmer Thesen

Zusters en broeders,

Een gezant Gods komt van boven. Niet toevallig begint de NAZI-propaganda-film  ‘Triumph des Willens’ boven de wolken. Langzaam daalt de gezant af, terwijl de beelden over het voor-oorlogse Duitsland scheren. We zien eindeloze rijen marcherende mensen, die in 1934 op weg zijn naar de Reichsparteitag in Neurenberg. Als het vliegtuig is geland blijkt de gezant Adolf Hitler te zijn. Inmiddels de verpersoonlijking van het kwaad, had Hitler vóór de oorlog een heel andere status en werd, inderdaad, als goddelijke redder van Duitsland gezien. Zoals ook nu autoritaire leiders zich graag bovennatuurlijke steun laten aanleunen, had ook Hitler véél steun bij gelovigen en van kerken. Slechts een kleine minderheid maakte zich zorgen, en had grote theologische bezwaren tegen de verafgoding van Hitler. Deze zogeheten Bekennende Kirche, belijdende kerk, met voormannen als Karl Barth, Martin Niemöller en Dietrich Bonhoeffer, sprak zich uit tegen het Nazidom en vatte dat samen in wat de Theologische verklaring van Barmen werd genoemd. Deze verklaring is deel gaan uitmaken van de belijdenisgeschriften van veel kerken, ook de onze.

De afgelopen weken hebben we een aantal van de belijdenisgeschriften besproken, Uit de aard der zaak moet dan ook geregeld wat van de achtergrond en de historische context worden besproken. Ik vond het weleens een beetje college-achtig worden…, maar heb anderzijds ook veel positieve feedback gehad. Kennelijk is het ook wel goed om eens wat nadrukkelijker bij de kerkelijke leer stil te staan. En bij de formulieren die dat vastleggen. Maar steeds is toch de belangrijkste vraag: leggen ze het vast, of schrijven ze het voor? Hoe dwingend zijn de geschriften? Wat moeten wíj ermee aan?

Duidelijk moet zijn dat het niet zomaar schrijfsel uit de oude doos zijn. De credo’s van Nicea, de Apostelen en Athanasius zijn 15 – 17 eeuwen oud, maar nog steeds geldig. De reformatorische ‘Formulieren van Enigheid’: Nederlandse Geloofsbelijdenis, Heidelbergse Catechismus, en Dordtse Leerregels, zijn 1000 jaar jonger, maar ook van lang geleden, en nog steeds van kracht. Net zoals de Onveranderde Augsburgse Confessie, de catechismus van Luther en de catechismus van Genève. Het ontbreekt ons aan de tijd om ook deze geschriften te bespreken, maar ze zijn vanaf de vorming van de PKN deel van de belijdenisgeschriften. Naast gereformeerden en hervormden doen daarin immers ook de Lutheranen mee, vandaar óók twee Lutherse geschriften. De catechismus van Calvijn is toegevoegd omdat het bij de Walen kerk, het frans-sprekende deel van de hervormde kerk altijd in gebruik is gebleven. Deze negen geschriften verwoorden het ‘belijden van de kerk, dat geschiedt in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht.’ Zo staat het, wat plechtig, in de kerkorde. Van iets andere status zijn nog twee geschriften. De Concordie van Leuenberg en de genoemde Barmer Thesen: daarvan erkent de kerk ‘de betekenis’. Die Concordie is een wat technische reparatie van de historische wederzijdse verkettering van luthers en calvinistische kerken. Als je gaat fuseren is het handig om elkaar ook officieel serieus te nemen en de Concordie van Leuenberg spreekt dat vanaf 1973, kort gezegd, af.

De Barmer Thesen zijn een ander verhaal. Daar gaat het echt om stelling nemen in een tijd dat het erop aan komt. In een tijd ook dat het bepaald geen sinecure was om zo in de godsdienst te staan, en om zo tegen de staatsmacht in te gaan. Een dapper geschrift dat al in 1934 de gevaren van het Nazisme onderkende, en dat daarmee ronduit profetisch mag worden genoemd. Eigenlijk geen nieuw belijdenisgeschrift, in de zin dat er een heel nieuwe kerkelijke leer wordt voorgesteld. Maar een toepassing van het gezag van Christus in een concrete politieke situatie. De Thesen hebben door hun profetische dapperheid een verpletterende indruk gemaakt, en hebben niet voor niets in veel na-oorlogse kerken plek gekregen.

Maar na-oorlogs… En achteraf is het toch makkelijker praten.

Die Bekennende Kirche was in 1934 een kleine minderheid. De meeste christenen steunden Hitler of gedoogden het Nazisme uit eigenbelang. Maar moest dat niet ook? Heeft God de staatsmacht niet boven ons gesteld? En moeten we de keizer niet geven wat des keizers is? Of wordt het toch anders, als de keizer misbruik gaat maken van de kerk. En God voor zijn karretje wil spannen? Hitler wist een marionet tot Luthers opperbisschop te benoemen en kon aansluiten bij de Luther-herdenking van 1917 (400 jaar reformatie!) waarbij het anti-semitisme van Luther al flink was afgestoft. Bovendien was in Duitsland de band tussen staat en kerk nooit verbroken, wat politieke inmenging in de kerk eigenlijk normaal had gemaakt. En tenlsotte gaf het nationalisme van Hitler het vernederde land weer trots en vertrouwen. En straalde dat niet ook op de kerk af?!

En dan was er dit clubje vrome raddraaiers, dat ondergronds zo nodig iets anders moest beweren. Wat moet je daarmee dan aan?

Wat moeten we ermee aan? Achteraf is het makkelijk om de dappere profeten van de Bekennende Kirche gelijk te geven. Maar hoe was dat in 1934, 1935. Toen de gruwel van holocaust nog niet was gebeurd, en de verwoestende kracht van de tweede wereldoorlog nog niet achter ons lag? Waarom zou je Barth, Niemöller en Bonhoeffer vertrouwen, en niet de opzwepende retoriek van de Nazi’s? Wat zou je liever willen horen? Dat je een volk van helden bent, met een historische missie, of dat we als zondige mensen maar op de genade moeten wachten? De meeste Duitsers voor de oorlog wisten het wel…

Het lastige met profetisch en met belijdend spreken is natuurlijk dat iederéén zich desgewenst wel met wil van God kan tooien. Hitler liet het zich aanleunen, maar alleen voor zover hij de kerk naar zíjn belangen kon omvormen. En zoveel leiders, vooral met dictatoriale neigingen,  proberen mee te liften op goddelijke goedkeuring. Zou niet alle tegenstand de mond worden gesnoerd, als jij de wil van God uitvoert? Geen wonder dat leiders ook in onze tijd zich beroepen op een joods-christelijke traditie, op een bijbels landsbelofte, op goddelijke uitverkiezing. Maar alleen voor zover ze de boodschap van gerechtigheid, barmhartigheid en naastenliefde naast zich neer kunnen leggen. We moeten de keizer geven wat des keizers is, maar goddelijke gehoorzaamheid is godes; niet van de keizer! Een keizer die zich dat aanmatigt, spreekt niet van God.

Er zijn wel degelijk ook valse profeten. Ook de Bijbel kent het fenomeen: niet iedereen die zegt ‘Heer, Heer’, spreekt de woorden van God! Hoe moet je de geesten scheiden, als ook valse profeten zich op God beroepen, en uitgebreid uit de Bijbel citeren. Is dan niet links of rechtsom altijd de liefde het criterium? De geniale Paulus ontkent in zijn beroemde loflied op de liefde niet dat je namens God kunt spreken. Hij verwerpt tongentaal noch profetie. Maar stelt alles onder de hoede van de liefde. En dan gaat het principieel om het belang en het dienen van de ander. En dus niet: om Eigen Volk eerst, dus niet om genocide te legitimeren, dus niet om een hardvochtig asielbeleid te voeren die barmhartigheid strafbaar wil maken. Hoe mooi en hoe vroom de woorden van gladsprekers ook klinken. En hoeveel Bijbelteksten ze ook weten op te diepen. Nooit gaat het om de Bijbelteksten op zichzelf, maar altijd om de dienstbaarheid aan God en de naaste.

En dááronder zit een belangrijk uitgangspunt, en eigenlijk ook een geloofspunt: de waarheid van God is geen ouwe koek, maar moet steeds gestalte krijgen in het geleefde leven. Wij worden in onze eigen tijd aangesproken, en zijn op weg naar Gods belofte. En dat geldt voor alle geschreven teksten uit de traditie. Oók voor de Bijbel, en zeker óók voor de belijdenisgeschriften. Ze geven stem aan hoe mensen met God hebben geleefd. En die stem, (die stemmen!) spreken nog steeds tot ons, en zeggen ons op die manier ook áán. Maar hoe we ze moeten begrijpen en verstaan, en wat wij er mee aan moeten, dat zal steeds een zaak van het heden zijn. Want God is niet van gisteren, Hij is van vandaag op weg naar morgen.

De belijdenisgeschriften vormen in onze kerk de basis van de kerkelijk leer. Maar we lezen ze, zoals de kerkorde zegt, ‘in gemeenschap’, niet ‘in overeenstemming met’. We kunnen en moeten niet hetzelfde geloven als de vaderen uit de 4e en 5e, of uit de 16e en 17e eeuw. De belijdenisgeschriften schrijven niet vóór hoe wij moeten geloven, maar ze geven wel de woorden aan, de belangrijkste inzichten, de kwesties waar we ons druk over zouden moeten maken, waar we troost en bemoediging, maar wellicht ook vermaning in kunnen vinden.

Maar het is de Geest van Liefde die ons bij de hand neemt en die ons door de tijd heenleidt. En het is de liefde waarmee we ook grondleggende geschriften moeten lezen en moeten uitleggen. En dan zijn bepaalde lezingen bepaald verkeerd, en dus ketters te noemen. En het is goed daartegen in opstand te komen. Ook als je maar een kleine minderheid zou zijn.

Amen

17 augustus 2025
Wouter Slob
Ontmoetingskerk
Jeremia 23: 23-28a Mattheüs 22: 15-22