De Dordtse Leerregels
Zusters en broeders,
Ik heb de afgelopen weken geprobeerd iets van de belijdenisgeschriften van de kerk uit te leggen. Vandaag zal het bij toelichten blijven; want uitleggen gaat me niet lukken. Ik snap zelf niet goed wat je theologisch met de Dordtse Leeregels aan moet. Het centrale idee is: dubbele predestinatie. Maar of dat een stichtend idee is, lijkt mij zéér de vraag. Misschien is maximaal om te snappen waarom het ooit een goed idee leek; en waarom je er ook anders over kan denken.
Het begon in Leiden aan de universiteit die net was opgericht. De hooggeleerde Franciscus Gomarus kwam in botsing met ambtsgenoot Jacobus Arminius. Het conflict ging over de uitverkiezing. Kort gezegd: God wéét natuurlijk wie er gered gaat worden (want Hij is Alwetend), maar wíl Hij dat ook? Bepaalt God wie er gered wordt en wie er verloren gaat? Dat wordt predestinatie genoemd: voorbestemming of uitverkiezing.
De gedachte is dat geloof een geschenk is, dat niet op eigen kracht door mensen kan worden opgebracht. We kunnen God immers danken voor geloof. Met dat geloof wordt je gered, en omdat God dat bepaalt wordt het ‘uitverkiezing ten levende’ genoemd. Maar er is ook een keerzijde: want er kunnen toch niet alleen maar geredden zijn? Moeten de slechterikken niet verloren gaan? Heeft God dat alleen voorzien, of ook gewild? Arminius vond het eerste, Gomarus het laatste. En dat vond hij omdat anders de grootheid van God zou worden aangetast. God en God alléén besliste in de uitverkiezing. Dat zou volstrekt onafhankelijk moeten zijn van wat mensen zouden denken of doen. En dat betekende de uitverkiezing ten leven, maar volgens Gomarus óók ‘de uitverkiezing ten dode.’ Eveneens door God gewild: God heeft dus mensen geschapen met de bedoeling om hen te verwerpen. En dat lijkt mij, eerlijk gezegd, een onbegrijpelijke gedachte, die strijdig is met de liefde van God, die niet te verenigen is met de verzoening van God en die de genade van God beknot en beperkt. Maar die toch aanhang heeft kunnen vinden.
Theologisch was de positie ingegeven door de protestantse afwijzing van de verdienste-theologie zoals die in de middeleeuwse katholieke kerk gangbaar was. [afbeelding 1, 2, 3] Kort gezegd: de goede werken werden van de slechte dingen afgewogen en bij het laatste oordeel was het vraag waar de balans naar toe doorsloeg: naar de hemel of naar de hel? Het probleem werd echter dat op den duur de goede werken ook gekocht konden worden. En dat een flinke zak geld je dus een plaatsje in de hemel kon verschaffen. Dat was nooit de inzet van de verdienste-theologie geweest, maar werd wel het resultaat. En van de weeromstuit wilde de reformatie daar helemaal niks meer van weten. En dus moest het oordeel van God volkomen onafhankelijk (technisch: `soeverein’) zijn: alleen en uitsluitend door Hem genomen. De vrije wil van de mens mocht er niets mee te maken hebben. Dáárom werd Arminius ketters verklaard: want de verkiezing van God kunnen we dan niet wederstaan. En daarom zijn wij dat wellicht ook wel, als we denken dat we de uitnodiging van God wel moeten aanvaarden. Als we met Deuteronomium 10 zouden denken dat we niet langer halsstarrig moeten zijn, en ons hart zouden moeten besnijden… Daar moeten we dan toch voor kiezen?
De leer van de dubbele predestinatie komt oorspronkelijk van Calvijn, maar had bij hem slechts in de marge betekenis en moest vooral de betrouwbaarheid van de genade onderstrepen. Ook was een zekere bescheidenheid bedoeld, omdat de uitverkorenen zich niet op hun geloof konden laten voorstaan. Maar de bijgedachte van Calvijn zou centrale leer van het calvinisme worden; misschien eerder het gevolg van systeemdwang, dan van liefdevolle vroomheid.
De ruzie tussen Arminius en Gomarus zou het hele land bezig gaan houden en bijna tot burgeroorlog brengen. Toevallig laaide het op net tijdens het twaalfjarig bestand van de 80-jarige oorlog. Of eigenlijk: niet toevallig. Want die oorlog heeft er alles mee te maken. De ‘rekkelijke’ Arminius had veel steun van de bovenlaag van de bevolking: mensen als van Oldenbarnevelt en Hugo de Groot. Moe van de oorlog wilden die vrede met de Spanjaarden en dus tot een vergelijk komen met de katholieke tegenstanders. Maar principiële calvinisten wilden daar niets van weten. Verdreven door oprukkende Spaanse troepen waren die in meerderheid afkomstig uit het Zuiden. Theologisch wilden deze scherpslijpers niet tot een vergelijk met de vijand komen, maar strategisch nog minder, want wilden gewoon hun gebieden terugveroveren. Het was niet alleen vroomheid die speelde, zeker ook politiek. En de hard-lijners waren de partij van de oorlog, niet van de vrede.
De rekkelijke Arminianen hadden hun standpunt uiteengezet in een geschrift dat ‘remonstrantie’ werd genoemd; vandaar dat ze ook wel Remonstranten werden en worden genoemd. Ze wilden een theologische vergadering beleggen om de zaak inhoudelijk te bespreken, maar het liep uit op een calvinistische synode waarin de remonstranten geen deelnemers, maar gedaagden waren. De strenge calvinisten hadden dat voor elkaar gekregen dankzij onverwachte steun van prins Maurits. Niet dat die zelf zo streng-theologisch was, maar hij had als zeer succesvolle ‘stedendwinger’ geen baat bij een bestand met de Spanjaarden. Hij wilde de oorlog doorzetten, en steunde dus de oorlogspartij. En misschien wilde hij tevens zijn eigen hofprediker ontlopen, die hem mogelijk áán had gesproken op zijn levenswandel. Deze Johannes Wttenbogaerd, ooit nog geschilderd door Rembrandt, was een belangrijke remonstrant maar kwam op gespannen voet te staan met Maurits toen deze demonstratief niet in de hofkapel ter kerke ging maar om de hoek bij de calvinistische kloosterkerk aanklopte. Het zwaard van Maurits, samen met de Institutie van Calvijn woog zwaarder dan de Remonstrantie met de Bijbel [plaatje 4, 5, 6, laten staan].
Op de synode van Dordt, de oudste stad van Holland, zouden de Remonstranten worden veroordeeld. Niet verwonderlijk gezien de gekleurde samenstelling van de synode. Zo’n 200 predikanten zouden de kerk uit worden gegooid en vormden vanuit verschillende verbanningsoorden de Remonstrantse Broederschap. De Dordtse Leerregels zijn de schriftelijke neerslag van de uitkomst van de synode. Aan de hand van de opbouw van de remonstrantie worden de vijf belangrijkste punten eerste uiteengezet, om vervolgens de Remonstrantse positie in detail te weerspreken.
Het geschrift is nog steeds van kracht, al is het de vraag waarom. Ik denk dat verreweg de meeste leden van de PKN de ketterse leer als vanzelfsprekend vroom zullen aanvaarden. En ik heb nog nooit een geloofwaardige uitleg van het geschrift gehoord. De mens zou wel schuld hebben aan zijn veroordeling en de eeuwige verdoemenis hebben verdiend, maar zou niet vóór God kunnen kiezen om zo gered te worden? Het lijkt mij meten met twee maten.
Hoe heeft zo’n geschrift, met zo’n onmogelijke leer, toch zo’n belangrijke rol kunnen krijgen? Dat het geloof een geschenk is, is eigenlijk niet zo’n probleem, maar de ‘predestinatie ten dode,’ het idee dat mensen zijn voorbeschikt om verloren te gaan, dat is onbegrijpelijk.
Maar waarom is dat überhaupt van belang? Waarom zouden er mensen verloren moeten gaan? Waarom zou de genade niet zodanig groot en krachtig zijn dat ook de grootste schurk (misschien wel: juist de grootste schurk) er door gered zal worden?
Met mijn moeder had ik daar geregeld discussies over: ‘als Hitler in de hemel zit, dan hoef ik niet!’, zei ze altijd. ‘En dát zal jouw straf zijn,’ antwoorde ik dan, ‘dat je met je wraakzucht jezelf buiten de genade plaatst.’ De straf van God wordt je niet door Hem aangedaan, maar ís wanneer jij zelf de genade aan anderen niet gunt. En, óók, zelf aanvaard. Waarmee je erkent dat je de genade nodig hebt, en niet op eigen kracht verdienen kunt.
Maar zou in de eeuwigheid niet iederéén tot dat besef komen? En zal alles uiteindelijk dan niet in de liefde van God zijn opgenomen? In de theologie heet dat al-verzoening. Sommigen denken dan dat je dan geen reden meer hebt om het goede te doen. Als toch iedereen vergeven kan worden, waarom zou je dan je best doen? Waarom? Misschien gewoon: omdat dat beter is?
Zou het aantrekkelijk zijn om het hele leven ‘lekker te zondigen’, omdat je uiteindelijk toch vergeven wordt? Alsof ‘zondigen’ zo ‘lekker’ zou zijn. Alsof het leuk is om te liegen en te bedriegen, te moorden en de stelen. Is dat aantrekkelijk; of beklagenswaardig? Als deugdzaamheid zijn eigen beloning is, zou zonde dan niet z’n eigen straf zijn?
Laten we ons niet druk maken om de vraag of anderen gered worden. Maar ons bezig houden met de vraag hoe wij zelf mensen zouden kunnen redden. Dan proberen we God niet te doorgronden, maar te leven vanuit Zijn liefde.
En dan zijn de Dordtse leerregels alleen nog maar interessant als historische geschrift.
Amen
Deel deze preek
Deuteronomium 10: 12-16
Israël, bedenk dus dat de HEER, uw God, niets anders van u vraagt dan dat u ontzag voor Hem toont, dat u de weg volgt die Hij u wijst, dat u Hem liefhebt, Hem met hart en ziel dient en zijn geboden en wetten, die ik u vandaag voorhoud, naleeft; dan zal het u goed gaan. De HEER, aan wie de hoogste hemel toebehoort, en de aarde met alles wat daarop leeft, heeft toch alleen voor úw voorouders liefde opgevat en u, hun nazaten, verkozen boven alle volken, en zo is het nog steeds. Besnijd daarom uw hart en wees niet langer halsstarrig.