Heidelbergse Catechismus
Zusters en broeders,
Een groep ouderen maakte jaarlijks een ouderendienst voor ouderen. Ik stelde die groep voor om eens een dienst juist voor jongeren te maken en waar dat dan over moest gaan. ‘Zondag 1, vraag 1’, was het prompte antwoord van één van de deelnemers. ‘Want het geloof is troost.’
Ik was ontroerd. Raker had ik het niet kunnen zeggen. Het geloof is troost, en dat mag rechtstreeks uit de Heidelbergse Catechismus worden gehaald. Niet voor iedereen zomaar vanzelfsprekend, want het geschrift geeft in de formuleringen óók wel aanleiding om het een stuk somberder te lezen. En helaas is dat ook gebeurd.
Alle reden om er eens wat meer aandacht aan te schenken. Na de credo’s uit de oude kerk, de Nederlandse geloofsbelijdenis vorige week, is nu de Heidelbergse Catechismus aan de beurt. Eigenlijk toevallig met de doop die we vandaag bedienen. Maar dat is toepasselijk. Want bij de Catechismus is de grondgedachte: we hoeven de waarde van ons leven niet zelf te bewijzen, want we mogen het vinden in de liefde van God. En dat mag een hele troost zijn. En een opluchting in onze tijd waarin geslaagd-zijn, winnen, perfectie zo’n drijvende rol speelt. We moeten toch in alle opzichten uitblinken? En als we dat niet doen, wat is ons leven dan waard? Niet alleen in sport, maar op alle terreinen des levens lijken we in competitie met anderen (en soms met onszelf), en moet het altijd allemaal steeds maar ‘sneller, hoger, sterker’. We voelen de hete adem van de mislukking voortdurend in de nek. En als we zelf de zin van ons bestaan niet weten te bewijzen, wie zal het dan voor ons doen?
God! Is het antwoord van de kerk. De liefde van Christus houdt ons vast. Als we dat omarmen dan krijgen we ze zin van het leven aangeboden. Dan mogen we onszelf aanvaarden, ook al voelen we ons onaanvaardbaar. Omdat God ons aanvaardt. En dan niet omdat wij in alle opzichten zo fantastisch geweldig zijn, maar met alles wat er aan ons kan schorten. En dan worden we bevrijd uit de eenzaamheid om ons eigen leven te moeten bewijzen, want we mogen het krijgen.
En we mogen het doorgeven. Als we in liefde, de ander aanvaarden en tot ontplooiing kunnen helpen. Van liefde mogen we leven, en uit liefde mogen we leven. Zo staan we met elkaar in relatie, en zo mogen we het ook doorgeven. Zeker ook aan onze kinderen. In liefde mogen we die ontvangen en met liefde mogen we die grootbrengen. Een kind is afhankelijk van ons, we dragen er verantwoordelijkheid voor. En zijn daarom ook zelf van belang. Leven uit liefde is gericht op het belang van de ander, maar onderstreept óók de waarde van ons eigen bestaan. Een hele taak en een hele verantwoordelijk, en een verantwoordelijk die helaas niet altijd en overal even goed wordt en is waargemaakt. Maar een taak en een verantwoordelijkheid waarbij de hulp van God altijd beschikbaar is. Daarvan mag de doop een teken zijn.
In dat licht kunnen we de Heidelbergse Catechismus plaatsen. Het geschrift is 1563 geschreven op aandringen van de plaatselijke vorst. De reformatie was vanaf 1517 onderweg (en niet vanaf 1513, zoals ik vorige week foutief zei!), en er was al veel gebeurd. Sluimerende onvrede met de middeleeuwse kerk was explosief tot ontbranding gekomen en in de reformatie was allerlei onvrede tot uiting gekomen. De middeleeuwse manier van samenleven, en de middeleeuwse manier van geloven, werd ruw en soms gewelddadig van tafel geveegd. Dat wilde men niet meer.
Maar wat dan wel? Wat geloofde de reformatie dan precies? Dat kan toch niet alleen tegen de katholieke kerk zijn, dan moet je toch ook kunnen zeggen waar je vóór bent. En dan is een catechismus een geschikt geschrift. Waarin je mensen uitlegt hoe het zit en hoe dingen samenhangen. Luther schreef catechismussen, Calvijn ook, en dus ook deze uit Heidelberg.
Een hoogleraar, Zacharias Ursinus, stelde de basis tekst op. Collega Casper Olevianus vond het nodig om een nare kat tegen de katholieke kerk toe te voegen door te spreken over de ‘verdoemde paapse mis’. Een reactie op de veroordeling van de reformatie van katholieke zijde, maar niet erg fijnzinnig. Ook andere kwesties zijn niet per se fijnzinnig. En hebben aanleiding gegeven tot misverstanden, en helaas ook tot flinke psychische schade. Want is de Heidelbergse Catechismus niet het geschrift waar het loodzware protestantse zondebesef vandaan is gekomen? Vast! In ieder geval ten dele. Maar wel in een onjuist lezing.
Eerst nog even kort hoe het geschrift in elkaar steekt. De Heidelbergse Catechismus bestaat uit vragen, waarop dan antwoorden worden gegeven. En de 129 vragen zijn onderverdeeld in 52 hoofdstukjes, die niet toevallig ‘zondagen’ worden genoemd. Want iedere week, in de middagdienst, werd één van die hoofdstukjes besproken en na een jaar was je dan rond. Dan wist iedereen weer hoe het zat, en wat je moest geloven. ‘Moest’. Want de antwoorden op de vragen zouden eigenlijk niet vrijblijvend blijven, maar verplichte kost gaan vormen. Zo verplicht dat hele generaties catechisanten de antwoorden uit hun hoofd moesten leren (hebben mensen dat nog meegemaakt?). Dat heeft de populariteit van het geschrift geen goed gedaan.
Vooral ook niet omdat bij het stampwerk vóóraan werd begonnen, en daar ging het om de ‘ellende van de mens’. Zo heet het eerste deel, de zondagen 2 t/m 4. En daar staat toch dat de mens ’zo verdorven is dat wij geheel en al onbekwaam zijn tot iets goeds en geneigd tot alle kwaad’ (zondag 3, vraag 8)? En dat zinnetje heeft zich vast kunnen bijten in de herinneringen van menig catechisant, en in het collectieve geheugen. Staat dat niet garant voor een systematische diskwalificatie van de mens? Die in en in tot op het bot zondig zou zijn en waar niets aan zou deugen? Zo is het inderdaad wel uitgelegd, helaas. En misschien knapten velen al bij zondag 3 af…zo depressief zou je ervan kunnen worden.
Maar stellig onjuist. Want het gaat om de troost! Zondag 1, vraag 1 geeft het perspectief dat het hele geschrift moet kleuren. De schets van de zondigheid van de mens is (en was ook destijds) niet een aanklacht, maar een bemoediging. Zeker, wordt die ‘ellende’ genoemd, maar een veel langer stuk, de zondagen 5 t/m 31 gaan over de verlossing door Christus. De ‘verdorvenheid’ is een opmaat, maar niet een eindpunt. Want Christus verlost ons, door ons in liefde aan te nemen. En de resterende zondagen 32 t/m 52 gaan over de dankbaarheid, en dan blijkt de mens wel degelijk tot veel goeds in staat. Door uit de liefde te leven en het goede te doen.
Dat wilde die oudere meneer aan de jongeren meegeven. Dat het een hele troost mag zijn om van en uit de genade te leven. En dat moet het perspectief waarbinnen we de ‘ellende’ van de mens begrijpen. We zijn het ‘zonde’ gaan noemen, maar zouden ook over ‘ontoereikendheid’ kunnen spreken. Waar het om draait, in ieder geval, is dat we niet perfect hoeven te zijn om te mogen bestaan. Want voor God doen we er toe met alles wat er is. En hoeven we ons nooit te verstoppen.
Zou je daar niet naar hunkeren? Zou je dat je kind niet mee willen geven?
Amen
Deel deze preek
Mc 16: 9-16a
Toen Hij vroeg op de eerste dag van de week uit de dood was opgestaan, verscheen Hij eerst aan Maria van Magdala, bij wie Hij zeven demonen had uitgedreven. Ze ging het nieuws vertellen aan de mensen die Hem hadden vergezeld en die nu om Hem treurden en rouwden. Toen ze hoorden dat Hij leefde en dat zij Hem had gezien, geloofden ze het niet. Daarna verscheen Hij in een andere gedaante aan twee van hen toen ze buiten de stad waren. Ze gingen terug en vertelden het aan de anderen; maar ook zij werden niet geloofd. Ten slotte verscheen Hij aan de elf leerlingen terwijl ze aanlagen voor de maaltijd, en Hij verweet hun hun ongeloof en halsstarrigheid, omdat ze geen geloof hadden geschonken aan degenen die Hem hadden gezien nadat Hij uit de dood was opgewekt. En Hij zei tegen hen: ‘Trek heel de wereld rond en verkondig het goede nieuws aan alle schepselen. Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld.