Alle preken

Dwalen, of bij de hand genomen?

Vraag: Moeten wij 40 jaar dwalen voordat we weten waarheen we gaan?

Zusters en broeders,

Deze vraag, gesteld op de startzondag, sluit denkelijk aan bij één van de antwoorden die ik op een andere vraag in die dienst gaf. Als ik me goed herinner had ik het toen over het volgen van de wolkkolom. Het volk Israël was bevrijd, gevlucht uit de slavernij van Egypte en was op weg naar het beloofde land. Een ongewisse tocht, dwars door de woestijn die uiteindelijk 40 jaar zou duren. Veertig jaar! Dat maken de meesten van ons niet meer mee, zouden we kunnen denken. En dat dachten ze toen ook. In feite was dat precies de bedoeling. Want na een tocht van twee jaar, hàdden ze in feite al aan de grenzen van het beloofde land gestaan. Maar hadden ze het niet aangedurfd om het binnen te trekken. Volgens de verspieders woonden er reuzen in het land, en konden zíj maar beter teruggaan naar Egypte. Terug de slavernij in misschien, maar dan wist je ten minste waar je aan toe was… Terug naar wat ze zich herinnerden als de vleespotten van Egypte.

God wilde Zijn handen er van af trekken, toen. Klaar was Hij met dit weerspannige volk. Maar Mozes brak een lans voor het volk. En wist God op andere gedachten te brengen. Nota bene: God laat zich vermurwen (een oud woord voor ‘overhalen’); kennelijk kan dat…! Maar God stuurt het volk wel weer terug de woestijn in, waar het nog veertig jaar zal dwalen. Van het oorspronkelijke volk dat uit Egypte was weggetrokken, zou niemand het beloofde land betreden. Alleen Jozua en Kaleb, de enige twee verspieders die destijds wèl vertrouwen hadden gehad om het land binnen te gaan, mochten met de volgende generatie mee. Ook Mozes zou het beloofde land slechts vanaf de berg Nebo mogen bekijken, maar niet binnengaan. Zover een stukje Bijbelse geschiedenis. Nou ja, geschiedenis. Het gaat volgens geleerden niet om waterdichte historische gebeurtenissen. Het gaat om een ontstaansmythe. En daarmee om betekenissen. Maar precies vanwege die betekenissen, kan ook voor ons zo’n vraag zinvol zijn: moeten wij veertig jaar dwalen, voordat we weten waarheen we gaan?

Brengen wij dat op? Murmureren ook wíj weerspannig? En verlangen we terug naar de vleespotten van Egypte? Naar hoe het ooit was. Of in ieder geval: hoe wij ons dat denken te herinneren.

Natuurlijk kunnen we niet achter de gebeurtenissen terug en de klok terugzetten. We gaan onvermijdelijk vooruit. En we weten niet, nooit, waarheen we gaan. Want de toekomst is ongewis. Zelfs als we het prima voor elkaar lijken te hebben, en we goed op koers zijn, laat de loop van de tijd zich niet voorspellen. Dat is voor gelovigen en ongelovige gelijk. Dat ‘dwalen’ door de tijd is niet iets waar je de Bijbels boodschap voor zou moeten geloven. De tocht door de tijd heeft sowieso iets ongewis, en kan voor iedereen als een tocht door de woestijn worden ervaren. Met verzengende winden, droge, onherbergzame vlaktes. Heet, maar ’s nachts misschien juist ijzig koud. Met af en toe een oase, maar dan niet zelden kapers op de kust, die ook van het water willen drinken. Het beeld van de woestijntocht is een typisch bijbels beeld, maar de ervaring kan door iedereen wel worden gedeeld.

Wat het beeld religieus maakt, is hoe we op reis zijn. Met goede moed, met hoop in ons hart. Met angst, spijt misschien? Wat het beeld religieus maakt, is hoe we aan het reizen zijn. Durven wij ons te laten leiden; door een wolkkolom bij dag en een vuurkolom bij nacht, of menen we zelf alles in de hand te moeten hebben; en wikken en wegen we om de optimale route te vinden? Durven we het ongewisse méé te laten spreken, of zwijgen we het dood? En proberen we alles te voorzien, en op alles voorbereid te zijn; alles in de hand te hebben. Maar zouden we dàn niet juist van een koude kermis thuiskomen?

Zíjn we niet van een koude kermis thuisgekomen? Afgelopen jaar. Hadden we bij de vorige jaarwisseling de inval in Oekraïne verwacht? Ik heb de dienst van vorig jaar er nog eens even bij gepakt: Corona en stikstof, maar niks over oorlog, gasprijzen of mondiale voedseltekorten. En geldt dat niet voor veel ingrijpende gebeurtenissen in de geschiedenis? De val van het IJzeren Gordijn, destijds, de verkiezingen van Trump en de Brexit, of, inderdaad, de Corona-pandemie. Allemaal ingrijpende en wereldveranderende gebeurtenissen, maar hadden we dat allemaal voorzien?

Achteraf herkennen we de signalen. Achteraf valt er altijd veel te verklaren. En achteraf is het altijd wel logisch, en lijkt het onvermijdelijk wat zich heeft voltrokken, maar vooraf? Hoe kun je weten welke obstakels te tegen zult komen op je weg? Hoe moet je de koers uitzetten, op welk kompas varen we?

Durven en willen we wel op pad gaan? Of zouden we het liefst gewoon thuis willen blijven? Of zelfs terugkeren naar de vleespotten van Egypte? Misschien niet ideaal maar tenminste bekend en vertrouwd. En denken we dat de woestijn wel buiten beeld zal blijven? De tijd verandert, en dingen blijven niet hetzelfde. De woestijn rukt op. De oorlog in Oekraïne springt in het oog, maar verder in het oosten maken legers zich klaar voor een andere, wellicht nog dreigender conflict. Tussen de Korea’s, maar ook in de Chinese zee. Met wapens die daar klaar staan, zou een onbewoonbare woestijn in een oogwenk feit kunnen worden. En als de wapens het niet doen, zouden we dan de effecten van klimaatverandering kunnen onderschatten?

Oók als we door de tijd dwalen, doen we dat niet in ben blinde. Weten we maar al te goed dat de woestijn gevaarlijk en onvoorspelbaar kan zijn. Weten we van honger en dorst, van gevaarlijke dieren, slangen misschien, en van ondrinkbare waterbronnen. Het verhaal van de uittocht staat er vol van, en ook wij realiseren ons toch wat er gebeuren kan.

Varen we dan op eigen koers, of richten we ons op zoiets vaags en ongrijpbaars als een wolkkolom bij dag en een vuurkolom bij nacht? En dat is geen vraag naar ooit en lang geleden. Dat is een vraag naar hoe wijzelf onze levens bekijken en waar we ons door laten leiden.

Het verlangen naar de vleespotten van Egypte is dan de naïeve geruststelling dat het allemaal wel mee zal vallen. Dat we ons niet te druk moeten maken. En ons dus ook niet hoeven voor te bereiden op wat er te verwachten is. Dat is een strategie die we lange jaren met het oog op klimaatverandering hebben gevolgd. Al lang worden we gewaarschuwd door deskundigen, en al lang doen we net alsof er niets aan de hand is. En misschien kun je hetzelfde wel zeggen bij andere grote kwesties. Hebben we na de val van het IJzeren Gordijn wel voldoende rekening gehouden met de gevoelens en gevoeligheden, met de angsten, van bijvoorbeeld de Russen? Het legitimeert het huidige geweld niet, maar heeft een westerse politiek niet té gretig de winst van de Koude Oorlog op willen eisen, en daarmee de Russen als verliezers van de geschiedenis gezien? En zou zoiets niet óók kunnen spelen bij ontwikkelende conflicten in het verre oosten? Dat we te gemakkelijk denken in schema’s van winnaars of verliezers?

En dàt gebeurt als je op een menselijk kompas vaart. Want dan gelden menselijke regels. Dan moet je wapenen tegen gevaren, en moet je de vijanden verslaan. Zo’n kompas zit ons diep ingebakken. En met zo’n verlangen ging ook het oude volk Israël op weg. Die wolkkolom zou het door de woestijn leiden, maar uiteindelijk ook het Beloofde Land insturen. Met de opdracht het in te nemen. En zachtzinnig ging dat bepaald niet. Hele volken zouden worden uitgemoord. Wie de verhalen nog weer eens goed zou lezen, krabt zich op het achterhoofd. Ook toen dachten agressors dat God aan hun zijde stond en werd geweld met godsdienst goedgepraat.

Maar is dat niet tòch een groot verschil tussen Oude en Nieuwe Testament? God lijkt van aanpak te zijn veranderd. Misschien toch op andere gedachten gebracht, omdat het recht van de sterkste uiteindelijk niet bracht wat goed was. Wilde God ooit met straf, dwang en dreigen het weerspannige volk op de juiste weg krijgen, met Christus zoekt Hij eerder de weg van de uitnodiging. God geeft Zijn Zoon over aan de grillen van de geschiedenis. Het kindeke in de kribbe zal teer en kwetsbaar blijken en ten prooi vallen aan de heerszucht van de menselijke macht. Wie zich afvraagt hoe God toch al het kwaad in de wereld kan laten voorbestaan, bedenke dat Hij zich zelf daaraan ook niet heeft onttrokken. De oppermacht die God in het Oude Testament ten toon spreidt heeft eerder weerstand dan navolging opgeroepen. Is dat wat met kerst in de wereld is gekomen: een andere boeg. Niet de overmacht, maar de nodiging om mee te werken aan Zijn rijk dat komt.

En dat begint bij ontferming: bij zorg om wat teer, klein en kwetsbaar is. Het kind in de kribbe, en daarin alles wat zorg en aandacht behoeft. Liefde, kortom. Maar is dat niet riskant? Vaag en ongrijpbaar als een wolkkolom? Zouden we niet een hardere machtspolitiek volgen? Of zouden we dáár onderhand niet eens vragen bij plaatsen? Zou zo’n harde aanpak niet hopeloos naïef zijn? Om de wereld te verdelen in winnaars en verliezers? Zou een politiek van liefde niet echt beter zijn. Omdat het een politiek van respect is. Waarbij niet alleen ons eigen belang, maar ook dat van anderen gediend wordt. En er ook voor hen, dus, meer reden is om ons te vriend te houden dan om ons e oorlog te verklaren.

Moeilijk genoeg, vast, om de weg in de woestijn te vinden. Maar is er niet alle reden om het vertrouwen in God weer eens van onder het woestijnzand op te diepen. En om ons af te vragen of we met God niet een betere koers varen. En zelf, in ieder geval, ons door de wolk van liefde te laten leiden.

Amen

31 december 2022
Wouter Slob
Maranathakerk
Romeinen 8: 31b-39 Lucas 12: 35-40