Alle preken

Verkondiging 30-8

Gemeente van onze Heer Jezus Messias!

 

Zojuist een topervaring gehad! Maar nu dalen we weer af naar de normale verhoudingen, van de hoge berg naar het laagland. Maar nou komt er een brok ellende op ons af! Beneden worden we geconfronteerd met ‘t broddelwerk van ánderen. Nèt een heerlijke vakantie gehad, tijd om even met volle teugen te genieten, de geestelijke en mentale batterijen óp te laden, of op onze eerste gewone werkdag is het meteen raak: de achterblijvers blijken er een zootje van te hebben gemaakt...

 

Zo kunnen we ´t ons voorstellen wat Jezus en de drie leerlingen die met Hem mee gegaan waren, de Berg van de Verheerlijking op, bij hun terugkeer beneden ervaren. Hebben ze daarboven iets geweldigs ervaren: wónderlijke licht dat niet alleen Jezus omstraalde, maar ook Mozes en Elia, Tora en Profeten, heel het getuigenis van het Eerste Testament in het licht gezet – maar ná deze topervaring moeten ze weer naar beneden. Naar het dal waar mensen verder hun weg moeten gaan, te midden van onrecht en ellende, het dal waar een lijdensweg wacht en waar kruisen worden opgericht...

We vóelen de ontnuchtering. Want ze worden met hun benen weer op de harde grond van ‘t aardse bestaan gezet. Er wacht hen een menigte, een menigte aan vragen, verwachtingen, misverstanden, weerstanden. Mensen die vallen en niet verder kunnen. Wanhopige vaders en moeders die bij de achterblijvende leerlingen aankloppen, want ze weten met hun zorgen-kinderen geen raad, wanhopige mensen die een klemmend beroep doen op de Kerk. Maar die is onmachtig. En Jezus die zich opwindt over een verkeerd gerichte mentaliteit. Jezus die vraagt: waar is jullie geloof?? Wáár jullie vertrouwen?

 

Het lijkt een eenvoudig verhaal, maar dat is het niet. We horen zinnen en uitspraken, die ons al gauw op verkeerde sporen zetten.

Jezus is boos. Boos op wie? Op de leerlingen die onmachtig zijn? Zijn die echt ongelovig? Zijn ze kleingelovig? Wat betekent dat? Horen we in Jezus' woorden dat gebedsgenezing mogelijk is, áls we maar een klein geloof hebben, maar dat zo krachtig is als een mosterdzaadje? Dus houdt dit dan ook een soort oordeel in: jullie allen in de kerk, die het niet zo óp hebben met gebedsgenezing, gaan jullie hier niet dwars tegen de woorden van de Here Jezus zelf in?! Lieve mensen, hoe zít dat? En waar legt de evangelist zijn accenten?

 

Eenmaal beneden zoeken Jezus en de drie vrienden de andere leerlingen op, die daar waren achtergebleven. Kijk, dáár is een samenhoping van mensen. Dáár moeten we wezen! Maar voordat ze zich onder die mensen gemengd hebben, komt er één mens uit de menigte naar voren en valt Jezus voor de voeten.

Een mens. Zo vertelt Mattheüs het vaker: een mens. Om aan te geven, dat deze mens ieder van óns had kunnen zijn. Ieder van ons, die wanhopig is, die al dikwijls zijn neus gestoten heeft, die nu ook bij de leerlingen van Jezus, bij Zijn Kerk, te raden is gegaan en bitter werd teleurgesteld. Ook deze konden hem niet helpen! De leerlingen waren niet bij machte... de Kerk was niet bij machte... Meer dan eens komt ‘men’ tot die conclusie...

 

Deze mens knielt voor Jezus. Uit eerbied, of uit wanhopige hoop. Het laatste waar hij nog op vertrouwen kan. Hij noemt Jezus ‘Heer’: ‘Heer, heb medelijden, ontferm U over mijn zoon!’ Smekende ogen en handen op Jezus gericht. ‘Kyrië eleison!’

Een vader komt bij de Heer met zijn zoon. Een moeder kwam bij de Heer met haar dochtertje... Wij komen bij de Heer, met hem of haar die ons zo lief is, en in nood. Niemand kan helpen. Heer, kunnen wij bij U terecht?

 

We stoppen het verhaal even, en gaan terug naar een ánder gezichtspunt. Het gezichtspunt van de leerlingen die beneden waren achtergebleven. Hoe hebben zij dat ervaren? Jezus was wég! Jezus, die hen vlak daarvoor erop gewezen had, dat Hij een weg van veel lijden moest gaan: overgeleverd worden, gedood worden... Een weg van kruisen...

Dat betekende verwárring! Verwarring ook over hun eigen positie: niet glorierijk, niet machtig, maar bedreigd en aangevochten. En nu worden ze aangeklampt door mensen die wonderen van hen verwachten. Eén van die mensen brengt een zoon mee, die epilepsie heeft: vallende ziekte zei men vroeger, en in Jezus' tijd zei men: maanziek: op bepaalde tijden van de maanstand wordt hij steeds weer ziek en dreigt hij om te vallen… Onzeker over Jezus en over zichzelf, worden ze nú tot handelen geroepen! De man met zijn zieke zoon verwácht iets van ze! O Kerk, midden in de crisissitua-ties waarin mensen verkeren, verwácht men iets van u! Maar bent u niet in staat om over uw eigen crisis héén te zien, om even u zelf te vergeten en uw armen, uw hart, uw aandacht en zorg rond die wanhopige mens te leggen...

Dus ook de leerlingen aan de voet van de berg kijken wanhopig naar boven. Jezus, wanneer komt U nou? U vroeg wel of wij Uw zorg zouden voortzet-ten - maar twijfel bevangt ons. Kúnnen we dat wel? Zó ongeveer was de ervaring van die discipelen daar beneden. Onmachtig. En dáár botste die wanhopige man met zijn zieke jongen op. En dáárvan was de menigte getuige, nieuwsgierig en op sensatie belust...

 

Jezus reageert geërgerd, boos! ‘O ongelovig en dwars volk! Hoe lang moet Ik jullie nog verdragen?’ Allereerst vermoeden we dat Jezus boos is op zijn leerlingen, teleurgesteld in hen. Níet bij machte te helpen, te genezen? ‘O, ongelovig en dwars volk!’ Maar zo staat het er niet! Er staat niet op wíe Jezus boos is, in wie Hij teleurgesteld is… Op die machteloze leerlingen? Of op de menigte, die als Hij eventjes afwezig is, dán maar op z'n leerlin-gen afkomt, verwachtend dat die het met de kracht van Christus wel zullen fiksen? Een soort kerkelijke sensatiezucht? Of, veel algemener, is Jezus ontdaan over heel de situatie op zich zelf??

 

Ik denk dat al die elementen er wel inzitten. Maar waar het vooral om gaat, is het verschil tussen ‘hoog-denken’, iets geweldigs willen neerzetten, een soort eredienst rondom Jezus-de-wonderman  – en aan de andere kant ‘laag-denken’, denken in bescheidenheid en verbondenheid, wat zich uít in solidariteit met de minsten der mensen.

Het is Paulus die ons daarop wijst in zijn Romeinenbrief. Hoofdstukken lang heeft hij het offer, dat Christus in zijn solidariteit met armen en zon-daars brengt, diep doordacht. En nu in het 12e hoofdstuk, bijna aan het eind gekomen van zijn brief, vat Paulus nog eens concreet en bondig samen, wat dat offer van Christus voor ons, die zijn dienaren mogen zijn, inhoudt.

Wat voor offer / dienst wordt van ons verwacht? Allereerst: laat je niet meeslepen door wat de massa, de samenleving, het bestel waarin je leeft, van jullie verlangt: dat zijn opzienbarende wonderdaden, dat is zichtbare daadkracht, dat zijn uítgesproken standpunten… Word niet gelijkvormig aan deze eeuw, maar verander je door een ómdenken, door een vernieu-wing van je denken, in de Geest van Christus en de wijsheid van God.

Dat komt volgens Paulus hierop neer: de barmhartigheid waarmee God zijn zoon, zijn dienaar, naar ons gezonden heeft, moet de kern zijn van onze dienst aan elkaar en aan de wereld. Dat wil zeggen: barmhartig oog hebben voor elkaar. Dat betekent jezelf niet hoger aanslaan dan de ander die op jouw weg komt. In alle redelijkheid, met je volle verstand vragen wat God wil, wat goed, gaaf en welgevallig is in zijn ogen.

En dan komt Paulus met een paar heel nuchtere, praktisch gerichte advie-zen. Ga op zoek naar de genade die God jou geschonken heeft in díe gaven waar jij sterk in bent: bij de één is dat de gave om te profeteren, te prediken, maar ga daarbij wel steeds uit van de eenvoud van het geloof, bijstand verlenen, maar doe dat praktisch, onderricht geven, naar de bekwaamheid in het onderricht die jou gegeven is, troosten, met een open en luisterende houding, uitdelen, zonder bijbedoeling of dubbele agenda, en ten slotte weer die barmhartigheid – Gods barmhartigheid doorgeven, maar laat dat dan ook ópgewekt, blij gestemd, vrolijk zijn. In dit alles zal de liefde van Christus zichtbaar worden.

Dit dus even als intermezzo uit de brief van Paulus aan de christenen in Rome. Het begint dus met ómdenken – ánders, op een nieuwe manier denken. En daartegenover wordt geplaatst: te hoog denken hyperfroneo.

 

En dat is nu de valkuil waarin zowel de schare, de menigte, als de discipe-len geneigd zijn te vallen. Boven op de berg wilde Petrus al de heerlijkheid rond Mozes, Elia en Jezus voor zichzelf vasthouden en er een tent omheen bouwen. En de discipelen beneden zochten naar manieren om de wonderdaden van Jezus voort te zetten. Te hoog denken! Het wonder kun je niet óproepen, wonderen geschieden waar de eenvoud van Christus’ liefde, de nederige dienst aan je naaste, hier op de barre aarde opeens vruchten blijkt af te werpen.

 

‘O dwaas en onwijs volk!’ – In het Oude Testament wordt zo het volk aangeduid, dat geen trouw kent, dat volstrekt onbetrouwbaar is, door met andere leiders, grootheden en goden te gaan heulen. Terwijl de Here God zich keer op keer inspant om zijn volk een toekomst van genade te bieden, vervalt dat volk steeds weer opnieuw tot afvalligheid, door zich te laten imponeren door zichtbare macht.

 

‘O dwaas en onwijs volk!’ In Deuteronomium, bij Profeten en in Psalmen is dat de aanduiding geworden voor het volk dat dwaalt, dat nu eens déze, dan weer een ánder aanklampt. Overal waar men denkt een grootsere toekomst te vinden waar ze allen beter van worden. Nu eens Johannes de Doper, dan weer Jezus, dan weer 'n andere profeet of charismatisch leider. Overal waar het indrukwekkend moet worden... Maar, zo laat het volk de band met de Heer die mèt haar door de diepte gaat, die mèt haar lijdt en zucht en strijdt, los!

Jézus gaat het erom, om mèt zijn volk, mèt de mensen, mèt zijn leerlingen te zijn. Immanuël, God mèt ons - was één van zijn namen. Alleen in deze verregaande solidariteit is het mogelijk om anderen te helpen, op een weg van genezing te brengen... En verregaande solidariteit - dat is ook de weg van het lijden...

 

‘Maar breng die jongen hier!’ - Nú gaat het om die vader en zijn jongen. Jezus kan het niet áánzien, dat deze jongen in onze verwarrende wereld vol misverstanden en gevaren gekweld wordt. Waar Jezus mensen in beknelde situaties aantreft, kàn Hij niet anders dan z’n best doen om die beknelling ópen te breken. Zo gebeurde het tijdens zijn aardse rondgang. Toen het Koninkrijk verkondigd moest worden, met woorden en met daden die daarvan tekenen moesten zijn.

En ik geloof dat er af en toe nog steeds zulke tekenmomenten, teken van Gods Koninkrijk, in ons midden gebeuren. Maar in stilte. En niet vaak. In ‘t klein. Waar géén ophef over wordt gemaakt. Waar het lijden en de pijn ge­deeld worden. Waar wondertjes van solidariteit geschieden. Echt indruk-wekkende geneeswonderen – gemeente, ik kan het niet helpen om dat juist strijdig met de aard van Jezus te vinden.

 

Zo’n ontwrichtende kracht, die de mens steeds weer doet vallen, en zo zijn leven in crisissituaties brengt – in Jezus’ dagen zag men dat als een demoon  die bestraft en uitgedreven moest worden. Jezus wist het kostbare in een mens wakker te schudden en met zijn aanraking onder de macht van de liefde te brengen – waarop het kwaad van die mens wègdreef...

 

Maar nú dan weer de leerlingen die vol vragen zitten. Jezus had hen eerder volmacht gegeven om zieken te genezen en geesten uit te drijven. En nu waren ze daartoe níet in staat! "Hoe komt dat Heer?" Waarom? En daarop antwoordt Jezus raadselachtig: Dat komt door jullie ’kleingeloof’. Dat is wat anders dan ‘ongeloof’. Ongeloof is het ontbreken van geloof. ‘Kleingeloof’ houdt in dat je te weinig geloof hebt om op het kritieke moment het geloof te laten werken! ‘Kleingeloof’ wil zeggen, dat je vindt dat jouw geloof te weinig kracht heeft, dat je angstig bent om je helemaal aan dat geloof te géven. Dat je het daarom maar niet waagt. Dat je de sprong van het geloof maar even wilt uitstellen, dat je wacht totdat er van de andere kant een veilige brug wordt gelegd.

Nee, zegt de Heer: "spring dan!" Waag het te geloven, dat mijn liefde de onmacht kan doorbreken. Waag het om met Mijn liefde op weg te gaan. En denk niet: ach, de dingen van deze wereld zijn die liefde veel te sterk. Dàn heb je "kleingeloof"!

 

Nee, wáág het! En dát is het wat de leerlingen, wat de kerk, en ook kerk-mensen, dikwijls ontbreekt. Wáág het om het in alle openlijkheid én bescheidenheid óp te nemen voor de liefde van Christus, en voor allen, die die liefde zo nodig hebben! Wáág het om daarop te vertrouwen! Als je dát waagt, zegt Jezus, dan verzetten de bergen zich.

 

Amen.

30 augustus 2026
Ontmoetingskerk