een kattenbelletje
De 3e brief van Johannes
Zusters en broeders,
Onze vertalingen zouden anders kunnen doen vermoeden, en met 15 verzen heeft 3 Johannes twee verzen méér dan 2 Johannes. Maar met 217 woorden is de 3e brief in het Grieks toch 32 woorden korter dan de 2e. We lezen vandaag het kortste Bijbelboek dat er is, en net als vorige week gaat het om een boek dat niet heel veel gelezen wordt. Het is een soort kattenbelletje aan een zekere Gajus, waarin de schrijver hem prijst, waarschuwt voor een zekere Diotrefes en tenslotte een zekere Demetrius aanbeveelt
Drie namen, die ons niet veel zeggen. Zeker Gaius en Demetrius zijn veel voorkomende namen en komen in het Nieuwe Testament vaker voor, maar dan gaat het niet om dezelfde mensen. De Demetrius die hier wordt genoemd is niet dezelfde als zijn naamgenoot die in ooit in Efeze de meuten tegen Paulus opzette, en Gaiussen komen we tegen in Korinthe, Efeze, Macedonië en Derbe, plaatsen en gebieden die ver uit elkaar liggen.
Wie er schuil gaan achter de namen, is onduidelijk. Maar dat is bij de schrijver óók het geval. Hij introduceert zich slechts als ‘oudste.’ Al vroeg in het Christendom werd hij Johannes genoemd, maar is dat dan de Apostel, de evangelist, de schrijver van het Openbaring, of nog weer een andere? Vanaf de 2e eeuw bestaat er zoiets als het Johanneïsche vraagstuk, om welke Johannes het nu steeds precies zou gaan.
Hangt er veel aan? Wie het nou precies geschreven heeft? Mogelijk hebben we het gevoel dat een brief van de ‘echte’ Johannes meer waard zou zijn dan van een navolger ergens later. Zoals we ook teleurgesteld kunnen zijn wanneer een prachtig schilderij als de man met de gouden helm niet van Rembrandt blijkt te zijn. Vast speelt dat sentiment mee om alles wat naar Johannes klinkt aan een directe leerling van Jezus te koppelen. Maar juist in dit geval levert dat een probleem op. Want als de ‘oudste’ inderdaad de apostel is geweest, dan is het wat vreemd dat de genoemde Diotrefes tegen zijn gezag in opstand kon komen.
Ondanks de geringe lengte blijkt ook dit briefje toch heel wat te kunnen zeggen over de situatie en de ontwikkeling in de vroege kerk. Allereerst kan de schrijver zich alleen met ‘oudste’ kenbaar maken en dat betekent dat hij een zekere positie heeft. Ten tweede is er een kerkelijke gemeente en dus een geloofsgemeenschap. Ten derde, zijn er kennelijk spanningen in die gemeenschap waarbij Gajus en Diotrefes niet tot hetzelfde kamp behoren. En dat komt, ten vierde, tot uiting in het wel of niet ontvangen van broeders, die net zoals Paulus tussen de verschillende vroege gemeentes rondreizen, van Christus vertellen, berichten over en weer uitwisselen, maar óók onderhouden moeten worden. En daar is Gajus wel toe bereid, maar Diotrefes niet.
Tussen de regels door sijpelt daarmee heel wat informatie door over de vroege kerk. De christelijke kerk is bezig een organisatie te worden. De eerste periode van charisma en bruisende verwachtingen is zo’n beetje afgesloten. Er zijn inmiddels patronen en posities gevormd, en er zijn mensen die zeggenschap hebben of dat aan anderen betwisten. Er is bovendien een netwerk dat onderling betrekkingen onderhoudt en waar bepaalde verplichtingen gelden. Verplichtingen die óók met de positie van de kerk naar buiten toe te maken hebben. De oproep om de rondreizende broeders te onderhouden gaat niet alleen om de ontvangst in de gemeente zelf, maar ook om de ‘toerusting’ voor onderweg. De gemeente moet er voor zorgen dat de rondreizende predikers er niet al te haveloos bijlopen. Daarmee onderscheidden ze zich van bepaalde Griekse filosofen (cynici), die óók publiek predikten, maar zich nadrukkelijk sjofel en onverzorgd presenteerden om zich af te keren van de heersende moraal en maatschappelijke verhoudingen. De vroeg-christelijke waarheid was anders dan de wereld, maar niet tegen de wereld.
Daar raakt ook deze korte brief aan het hart van het Christendom: we leven van en uit liefde, en zijn geroepen niet alleen voor onszelf te zorgen, maar ook voor anderen. En dat doen we niet buiten de wereld, maar ook met het oog op de samenleving. Dit kattenbelletje toont daarbij aan dat deze boodschap tijd nodig heeft gehad om uit te kristalliseren, dat er dus ook verschillend over kon worden gedacht en dat het niet om een absoluut oergegeven gaat, maar om een boodschap die we elkaar voor moeten houden en steeds gestalte moeten geven. De waarheid waarom ‘de oudste’ Gajus prijst gaat niet om vastgestelde feiten, maar gaat om het volgen van de weg: om het waar-maken van de liefde. Niet alleen de prediking van de rondreizende broeders draagt daar aan bij, óók de gastvrijheid om hen te ontvangen en toe te rusten. En daarmee óók het onderlinge gesprek, de aanspraak en waar nodig de vermaning.
Dat verwijt de oudste aan Diotrefes: dat hij kennelijk geen aanspraak duldt. Hij weigert de rondreizende broeders, en gooit mensen die er anders over denken uit de gemeente. Kennelijk vindt hij dat hij het zelf voor het zeggen heeft.
En dat is altijd een kwestie: wie heeft het voor het zeggen? Wie bepaalt wat goed is en welke weg we moeten gaan? Ook dáárin zien we een christendom dat zich aan het ontwikkelen is. Ooit was de getuigenis van de apostelen doorslaggevend, en als er problemen rezen werden die om raad gevraagd. Zo zijn de brieven van Paulus ontstaan. Maar toen de gemeenten vastere voet kregen en een eigen organisatie gingen vormen, kwamen er leiders bovendrijven aan wie gezag werd toegekend: oudsten. De schrijver van de brief is daar een voorbeeld van, maar de gewraakte Diotrefes meet zich óók zo’n soort status aan. Ongetwijfeld gebeurde dat vaker, dat er bij de plaatselijke leiders meningsverschillen of enigheid ontstond. Wat zich dan gaat ontwikkelen is een hiërarchie van beslissers: er kwamen bisschoppen die als wijze bestuurders het gezag kregen, later aartsbisschoppen, later metropolieten en patriarchen. Zo groeide uiteindelijk ook de Katholieke Kerk, met de paus als hoogste gezag.
Daar liep Luther tegen aan, toen hij allerlei misstanden in de kerk waarnam. Zou uiteindelijk de paus het hoogste gezag moeten hebben. Of, toch uiteindelijk: God? En moest je om bij God uit te komen dan niet vooral het Woord van God beluisteren: de Bijbel lezen. De reformatie schafte de kerkelijke hiërarchie af, ging de Bijbel lezen en vertrouwde erop dat iedereen die zich door de Bijbel liet gezeggen tot dezelfde opvattingen zou komen. Dat bleek in de praktijk toch niet het geval, en de reformatie ging kaders opstellen waarbinnen de Bijbel moest worden begrepen. De belijdenisgeschriften werden zo ‘papieren paus,’ waarbij eenheid van leer net zo werd afgeëist als in de oudere hiërarchie.
Misschien dat we het kattenbelletje van Johannes weer eens moeten laten klingelen. Want zowel bij de kerkelijke hiërarchie als bij de belijdenisgeschriften ontbreekt iets belangrijks: de aanzegging. Zowel de middeleeuwse clerus als de steile protestanten menen zelf de waarheid in pacht te hebben en stellen zich net zo op als Diotrefes. Misschien moeten we ons minder afvragen wie de brief precies geschreven heeft, en ons meer richten op wat hij ons te zeggen heeft. En dat is vast dat we elkaar mogen bemoedigen, mogen aanspreken, evt moeten vermanen, troosten en uitleggen, maar steeds vanuit de liefde. Omdat we omwille van Naam op reis zijn gegaan en de weg van de waarheid willen volgen. Dan gaat het niet om het vaststellen van feiten, maar om het waarmaken van de liefde. En dat is nóóit om onze eigen belangen en posities veilig te stellen, maar altijd om dienstbaar te zijn aan elkaar.
Dat ís wat we in feite doen als we met elkaar aan tafel gaan. We komen samen, niet omdat we het allemaal per se in alles eens zijn, zelfs niet omdat we elkaar allemaal even aardig hoeven te vinden, maar omdat we in de liefde van Christus genodigd en welkom zijn. Daarin vinden wij onszelf, want als God ons waardig acht, kunnen wij niet min over onszelf denken. En dan moeten we ook de anderen en dus elkaar aanvaarden. Met alles wat er is, aan vreugden en verdriet, maar ook aan inzichten, vragen; zelfs eventueel twijfels. Daarmee gaan we, na de maaltijd, op weg. Om met elkaar de liefde die we hebben ervaren en gevierd, waar te maken. En zo zijn we op reis, op weg naar Gods toekomst. En niet met de rug naar de samenleving, maar in de wereld op een wijze die God waardig is. Omdat we zoals Demetrius zelf getuigen mogen zijn van deze waarheid: wie goeddoet komt uit God voort.
Amen
Deel deze preek
3 Johannes
Van de oudste. Aan mijn geliefde broeder Gajus, die ik werkelijk liefheb.
Geliefde broeder, ik hoop dat het u in alle opzichten goed gaat en dat u gezond bent. Dat het uw ziel goed gaat weet ik, want tot mijn grote blijdschap kwamen hier geregeld broeders die van uw trouw aan de waarheid getuigden; ze vertelden dat u de weg van de waarheid volgt. Niets verheugt mij meer dan te horen dat mijn kinderen de weg van de waarheid volgen.
Geliefde broeder, uw trouw blijkt uit alles wat u voor de broeders doet, zelfs al kent u hen niet. Ten overstaan van de gemeente hebben zij van uw liefde getuigd. Wees zo goed hen voor de verdere reis toe te rusten op een wijze die God waardig is. Ze zijn immers omwille van de Naam op reis gegaan en accepteren geen steun van de ongelovigen. Daarom horen wij zulke mensen gastvrij te ontvangen en zo mee te werken aan de verkondiging van de waarheid.
Ik heb hierover al aan de gemeente geschreven, maar Diotrefes, die daar de dienst wil uitmaken, trekt zich niets van ons aan. Als ik kom, zal ik zijn gedrag ter sprake brengen. Die man verspreidt laster over ons, en daar laat hij het niet bij: hij weigert de broeders te ontvangen, en houdt degenen tegen die dat wel willen en verjaagt hen uit de gemeente.
Geliefde broeder, volg niet het kwade na maar het goede. Wie goeddoet komt uit God voort; wie kwaad doet heeft God niet gezien. Over Demetrius is door iedereen een goed getuigenis gegeven, ook door de waarheid zelf. Wij voegen ons getuigenis daaraan toe, en u weet dat ons getuigenis betrouwbaar is.
Er is nog veel dat ik zou willen zeggen, maar dat wil ik niet doen met pen en inkt. Ik hoop u spoedig te zien; dan kunnen we elkaar persoonlijk spreken. Vrede zij met u. De vrienden hier groeten u. Groet elk van de vrienden bij u persoonlijk.