Filemon
Zusters en broeders,
In de leesroosters van de kerk wordt zoals u zult weten een selectie gemaakt. Al te saaie stukken worden weggelaten (de uitgebreide wetsteksten uit Leviticus bijvoorbeeld), maar óók korte en kleine brieven waarvan de stichtelijke inhoud niet zomaar duidelijk is. Of waarvan de inhoud ergens wat bedenkelijk kan zijn. Volgende week lezen we de kortste brief uit het Nieuwe Testament: 3 Johannes. Vandaag buigen we ons over Filemon: ook een kortje. En niet vaak gelezen…
Er kunnen vragen zijn of sommige brieven van Paulus wel van zijn hand zijn, Efesiërs bijvoorbeeld, Kolossenzen, zeker ook Timotheüs en Titus. Andere zoals Romeinen, Galaten, Korinthiers en Filippenzen worden onbetwist aan Paulus toegeschreven. De criteria om zo’n onderscheid te maken zijn woordgebruik, het soort theologie en ook de beschreven context. De brieven aan Timotheüs, bijvoorbeeld, gaan over de organisatie van een ontwikkelende vroege gemeente. En die moet dan wel bestaan. Zoals dat in Timotheus wordt voorgesteld is dat eigenlijk ondenkbaar vóór 100 na Christus, terwijl Paulus in het jaar 62 of 64 zou zijn gedood. Dan moet de brief dus later, en door een ander zijn geschreven.
Op zichzelf is het in de oudheid niet gek dat er in naam van een ander een tekst wordt gepresenteerd. Het Bijbelboek Jesaja beschrijft gebeurtenissen die zich afspelen over een tijdspanne van 150 jaar; evident dat er dan verschillende auteurs zijn. Ook in de nieuwtestamentische tijd worden in de geest van gezaghebbende voorgangers teksten geschreven. Zo bestaat er een brief van Jezus. Daarin wordt het evangelie van Johannes geciteerd, dat tientallen jaren na de dood van Jezus is geschreven; vanzelfsprekend is die brief dus niet van Jezus zelf, en vermoedelijk eind 2e, begin 3e eeuw geschreven. Het gaat bij deze geschriften niet zomaar om vervalsingen, vaak juist om een soort van eerbetoon aan de gewaardeerde voorloper.
Bij Filemon wordt deze discussie echter in het geheel niet gevoerd, want de authenticiteit van deze tekst is onomstreden. Er is namelijk geen enkele reden dat iemand deze brief in naam van Paulus zou schrijven, want er wordt in feite geen religieus punt gemaakt die het gezag van Paulus zou behoeven. Het punt dat wordt gemaakt, betreft de positie van een weggelopen slaaf. En deze slaaf Onesimus heeft hoogstwaarschijnlijk zelf de brief bewaard en gekoesterd, omdat het een beslissende gebeurtenis in zijn leven aanging.
De brief wordt in kerkdiensten niet vaak gelezen. Maar dat betekent niet dat er geen onthullende informatie wordt gegeven; zoals over slavernij. In onze tijd een heikel punt. Althans, slavernij zelf is geen heikel punt, want er is niemand die het zou willen verdedigen. Maar ‘heikel’ als we naar het verleden kijken, en als we onze geschiedenis onder ogen moeten zien. Een geschiedenis die pijnlijker kan zijn dan wij zouden willen toegeven, maar die ook genuanceerder is dan sommigen zouden willen. Slavernij wordt veroordeeld als groot (soms het grootste) onrecht dat is of kan worden aangericht. De slavenhandel van Afrika naar de Amerika’s was mensonterend en de sporen ervan zijn nog steeds voelbaar en merkbaar. Net als de onderdrukking van het kolonialisme, waar Multatuli 150 jaar geleden al schande van sprak. Ook Nederland, ook de kerk, heeft daar geen schone handen. Maar in de context kon slavernij óók een opstap zijn tot glorieuze maatschappelijk posities. In Moslim-rijken konden slaven belangrijke posities krijgen en daarmee enorme carrières maken. De moeder van de sultan was vaak oorspronkelijk een slavin, maar niettemin met afstand de belangrijkste vrouw in het rijk.
In de brief van Filemon worden de voors en tegens van slavernij niet tegen elkaar afgewogen, en in feite is dat eigenlijk een beetje teleurstellend, om niet te zeggen beschamend. Want slavernij wordt als maatschappelijk gegeven beschreven, en niet aan de kaak gesteld. Paulus stuurt de weggelopen slaaf terug naar zijn meester, en maant deze om Onesimus welwillend terug te nemen. Maar óók: om hem voortaan als geliefde broeder te beschouwen en te behandelen.
Wat speelde er precies? Onesimus, met een typische slavennaam die ‘de nuttige’ betekent, was weggelopen bij zijn meester Filemon. Dat gebeurde geregeld in de Grieks-Romeinse wereld. Hoewel de getalsverhoudingen niet goed zijn gedocumenteerd (en ook konden fluctueren), waren er véél slaven: tussen de 25% en de 50% procent van de bevolking! De bezittende klasse had fijn de handen vrij om aan cultuur, filosofie en poëzie te doen, want de slaven deden het werk. Voor hen betekende het geen vermelding in de geschiedenisboekjes maar ontworteling op grote schaal, en ongetwijfeld vaak onrecht en onderdrukking. En dat leidde geregeld tot slavenvlucht. En omdat de samenleving zo afhankelijk was van slaven, werd dit als ernstige vergrijp beschouwd. En was hulp aan gevluchte slaven eveneens riskant. Door Onesimus te ontvangen, liep ook Paulus gevaar.
Wat de reden is van de vlucht van Onesimus, is niet duidelijk. Misschien werd hij slecht behandeld? Misschien was hij, zoals Paulus suggereert met een toespeling op zijn naam, ‘niet van nut’, lui of weerspannig? Misschien was het erger en had Onesimus gestolen. Paulus lijkt er op te zinspelen als hij een eventuele schuld van Onesimus wil vergoeden. Niet vreemd: om te kunnen vluchten heb je geld nodig, dus misschien heeft Onesimus geld van Filemon ontvreemd. En sowieso betekent zijn vlucht dat Onesimus zichzelf als bezit van Filemon heeft gestolen, en dat alleen is al een vorm van diefstal.
En dan blijkt Onesimus bij Paulus te hebben aangeklopt. Zelf zit deze gevangen, zoals hij schrijft. Vermoedelijk betreft dat een huisarrest, mogelijk in Efese. Hij kon in ieder geval Onesimus ontvangen en bij zich houden. En Paulus is aan hem gehecht geraakt. En heeft hem kunnen bekeren; Onesimus is hem ‘een geliefde broeder’ geworden, zowel in het dagelijkse leven als in het geloof in de Heer’. En zo moet Filemon hem dan ook maar terugnemen en aanvaarden. En dus niet straffen of als mindere behandelen.
Filemon is kennelijk al eerder door Paulus bekeerd en heeft een huisgemeente gesticht. Zo kwamen de eerste christenen samen, omdat er nog geen kerken waren. De brief die Onesimus meekrijgt wordt aan die huisgemeente geadresseerd. Dat voert de druk op Filemon op, want hoe kan hij publiekelijk aan het verzoek van Paulus voorbij gaan? In feite wordt hij voor het blok gezet om Onesimus als broeder te omarmen.
Maar niet om Filemon van zijn slavernij te verlossen. En dat maakt de brief wat ongemakkelijk: de slavernij als maatschappelijk verschijnsel wordt niet aan de kaak gesteld. In feite gebeurt dat in het hele Nieuwe Testament niet; ook niet door Jezus zelf. Ook Jezus neemt het voor lief dat ‘een slaaf niet belangrijker is dan zijn meester’. Jezus preekt geen sociale revolutie.
Maar dat is niet omdat Hij de ongelijke machtsverhoudingen waardeert en in stand wil houden, maar omdat ze er niet meer toe doen. Of nog wat scherper: omdat we elkaars slaaf moeten zijn. Jezus doet het zelf voor als hij de voeten van de leerlingen wast: typische slavenarbeid.
De slavernij wordt niet aangepakt omdat de ongelijke machtsverhoudingen in het licht van het koninkrijk van God niet meer van betekenis zijn. Uit die overtuiging leeft ook Paulus: in Christus zijn er geen verschillen meer tussen Jood of Griek, man of vrouw, slaaf of vrije. We zijn allemaal gelijk voor God.
Zo konden slaven in de vroege kerk ook belangrijke posities bekleden in de gemeente. Verschillende van de oudste pausen waren slaaf en twee vroege martelaressen, Perpetua en Felicitas, waren meesteres en slavin, die als zusters in Christus samen voor de leeuwen werden gegooid.
Maar met het uitblijven van de terugkomst van Christus zou de vraag naar slavernij uiteindelijk wel een kwestie worden waar het Christendom stelling in zou nemen. Zeker ook Christelijke landen hebben profijt getrokken van de slavernij, en daar moet ook Nederland met zijn koloniale verleden zich rekenschap van geven. Maar óók waren het Christenen die het voortouw namen bij de afschaffing van de slavernij. Wat eeuwen- en eeuwenlang over de hele wereld een normale en geaccepteerde praktijk was, dat mensen bezit van anderen konden en mochten zijn, werd door Christenen aan de kaak gesteld omdat we voor God allemaal gelijk zijn. Uiteindelijk heeft dat geleid tot afschaffing van de slavernij. Ook in Nederland, in 1863, als laatste land Europa…
De ongelijkheid tussen mensen is niet zomaar verdwenen. Er zijn nog voldoende streken waar slavernij, ook in zuivere vorm, nog bestaat, vaker nog verkapt. Zolang de 1% rijkste mensen op aarde meer vermogen heeft dan 95% van de wereldbevolking, kun je er donder op zeggen dat er een machtsongelijkheid bestaat die doet denken aan de slavernij van weleer; ook als dat een andere naam zou hebben. Hoogste tijd dat die 1% worden opgeroepen om de anderen als broeders te aanvaarden en te behandelen. Of scherper, om ook hen op te roepen om tot slaaf te worden; dat wil zeggen: door aan de andere 99% dienstbaar te willen zijn. Zo heeft Christus het ons immers voorgedaan.
Amen
Deel deze preek
Filemon
Van Paulus, gevangene omwille van Christus Jezus, en van onze broeder Timoteüs. Aan onze geliefde medewerker Filemon, aan onze zuster Apfia en onze medestrijder Archippus, en aan de gemeente die in uw huis samenkomt. Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus.
Ik dank mijn God altijd wanneer ik u in mijn gebeden noem, want ik hoor vaak over de liefde en de trouw die u de Heer Jezus en alle heiligen toedraagt. Ik bid dat het geloof dat u met ons deelt u een dieper inzicht geeft in al het goede dat ons nader tot Christus brengt. Uw liefde heeft mij veel vreugde en troost gegeven, broeder, want door u voelen de heiligen zich gesterkt.
Hoewel ik in eenheid met Christus het volste recht heb u te zeggen wat u moet doen, geef ik vanwege uw liefde de voorkeur aan een verzoek – ik, Paulus, een man van respectabele leeftijd, die nu ook nog gevangenzit omwille van Christus Jezus. Ik zou u om een gunst willen vragen voor iemand die tijdens mijn gevangenschap mijn kind is geworden: Onesimus. Hij was u destijds niet van nut, maar nu kan hij zowel u als mij goede diensten bewijzen. Ik stuur hem naar u terug, hoewel hij me na aan het hart ligt en ik hem graag bij me gehouden had. Dan had hij namens u voor mij kunnen zorgen nu ik omwille van het evangelie gevangenzit. Maar ik heb zonder uw medeweten niets willen ondernemen, want u moet mij niet een gunst verlenen omdat ik u onder druk zet, maar omdat u het zelf wilt.
Misschien hebt u hem korte tijd moeten missen om hem voor altijd terug te krijgen, niet meer als een slaaf, maar als veel meer dan dat, als een geliefde broeder. Voor mij is hij dat al, hoeveel te meer moet hij het dus voor u zijn, zowel in het dagelijks leven als in het geloof in de Heer. Dus, als u met mij verbonden bent, ontvang hem dan zoals u mij zou ontvangen. En mocht hij u hebben benadeeld of u iets schuldig zijn, breng het mij dan in rekening. Ik, Paulus, schrijf hier eigenhandig neer dat ik u zal betalen. Ik ga er dan maar aan voorbij dat u mij uw eigen leven schuldig bent. Kom, broeder, bewijs mij deze dienst omwille van de Heer, stel mij omwille van Christus gerust.
Ik heb u geschreven in het volste vertrouwen dat u mijn verzoek zult inwilligen, ik weet dat u zelfs meer zult doen dan dat. Ten slotte, maak voor mij een kamer in orde, want ik heb goede hoop dat ik dankzij de gebeden van u allen aan u teruggegeven word.
Epafras, die samen met mij omwille van Christus Jezus gevangenzit, laat u groeten, evenals mijn medewerkers Marcus, Aristarchus, Demas en Lucas.
De genade van de Heer Jezus Christus zij met u.