De Barmhartige Samaritaan
Zusters en broeders,
“Mijn vader keurde mijn huwelijk met een donkergekleurde man niet goed. Hij is een soort racistische pummel. Toen ik zwanger was, vertelde hij me dat hij niets met mijn halfzwarte dochter te maken wilde hebben. Hier is hij haar teennagels aan het lakken op haar 3e verjaardag. Mensen kunnen veranderen.”
Een bericht dat rondgaat op internet, en waar veel over te doen is. Is de vader wel of geen racist, heeft hij zijn meningen bijgesteld? Is het een hoopvol bericht met maatschappelijke betekenis, of is het een sentimentele afleiding van werkelijk onrecht, dat systemisch is en blijft? Is het plaatje eigenlijk wel echt, of gemaakt met AI?
Wat het verder allemaal wel of juist niet is of betekent, laten we vandaag maar even rusten. In ieder geval is de racistische vader als opa tot dingen gekomen waar hij waarschijnlijk nooit aan had kunnen denken. En dat is hoe dan ook hoopvol.
Dat soort hoop kunnen we nodig hebben. Want het racisme van de vader is slechts één van de aspecten van polarisatie die ons denken beheerst. En steeds dieper kloven lijkt te slaan. Middenposities lijken steeds verder naar de extremen te worden gedrukt, en de posities komen steeds meer tegenover elkaar te staan. Luisteren naar elkaar is er nauwelijks meer bij, en de ander is alles waar je tegen bent en waartegen je je moet verdedigen. Het kan om gekleurde mensen gaan, of asielzoekers. Maar het onderliggende mechanisme dat we denken in termen van ‘eigen’ en ‘anders’, is wel hetzelfde. En daarmee is natuurlijk onze identiteit in het spel. Wie ‘wij’ zijn wordt mede bepaald door wie wij niet zijn: de buitengesloten ander. De vijand is nodig om te weten wie je zelf bent.
En dat gebeurt misschien wel vooral als de eigen identiteit niet meer zo duidelijk is. In tijden van onrust en verandering. In de tijd van Jezus speelde de Samaritanen die rol. Geconfronteerd met de bezetting van het Romeinse Rijk en met een opdringerige Griekse cultuur was de joodse identiteit een vraag geworden. Moesten ook joden mee in de vaart der volkeren en meegaan in het Griekse denken en de Romeinse macht? Moesten ze vasthouden aan hun oude overtuigingen? Moesten ze als volk zich isoleren en zich afsluiten van allerlei vernieuwingen? Of strak de regels volgen, maar wel op een moderne en aantrekkelijke manier? Moesten ze zich openstellen voor belangstellenden en was de boodschap van de joden ook een boodschap voor de wereld? In het Nieuwe Testament zien we verschillen van mening. Wie je als jood moest zijn en wat je moest doen was niet meer zo duidelijk. Maar in ieder geval was je géén Samaritaan; algemeen werden die geminacht.
Misschien weten we wel: Samaritanen waren een mengvolk. In feite was het de achtergebleven rest van het vroegere Noordrijk Israël dat niet, zoals de elite, in ballingschap was gevoerd. Het waren nazaten van de zonen van Jozef, maar hadden zich vermengd met andere volken die door de overwinnende Assyriers naar Israël waren gevoerd. Ze hadden, en hebben nog steeds, weliswaar een eigen Thora en zijn de godsdienst van de voorouders trouw gebleven, maar golden in de ogen van de teruggekeerde joden uit de ballingschap als onzuiver. Bij de herbouw van Jeruzalem, en met name bij de herbouw van de tempel, werden de Samaritanen geweerd. Hoewel ze hun diensten als broeders in de Heer hadden aangeboden, was er voor hen geen plaats.
De Samaritanen werden door de ‘echte’ Joden als ‘anderen’ buitengesloten. Godsdienstig waren ze niet zuiver en niet goed genoeg en dat was van belang, want na een periode van zeventig jaar in ballingschap kregen de ballingen van het Zuidrijk Juda gelegenheid om terug naar hun land van oorsprong te gaan. De Perzische (Iraanse, zo u wilt) koning Kores liet hen gaan, en wordt om reden in de Bijbel zelfs ‘gezalfde’ genoemd. Maar de samenhang in het volk was na zeventig jaar wel zo’n beetje weg; hoe moest de samenleving worden opgebouwd? In de Bijbelboeken Ezra en Nehemia kunnen we lezen dat de godsdienst daarbij werd aangegrepen om het volk een nieuwe identiteit te geven. En de Samaritanen hoorden daar niet bij, fungeerden als ‘buitengesloten ander’ die de grenzen van de eigen identiteit aangaven. De gemeenschappelijk vijand als basis voor het zelf-verstaan. Herkenbaar in onze tijd van polarisatie, minachting en vijanddenken.
Jezus denkt niet in vijandige anderen, maar wil in naasten denken. Heel erg volgens Zijn joodse achtergrond, maar veel radicaler dan Zijn gehoor het hebben wil. Zo vertelt Hij het verhaal van der Barmhartige Samaritaan; overbekend met meerdere lagen en met een grote historische invloed. De boodschap is immers dat je je moet bekommeren om weerloze slachtoffers die zomaar langs de kant van de weg kunnen liggen. De boodschap is óók dat het niet per se het ‘eigen volk’ is dat je daarmee kunt vertrouwen. Misschien de leiders van dat eigen volk, priesters en Levieten, wel he minst. Herkenbaar zal het geweest zijn, destijds. De priester en de Leviet, die de dienst aan God gestalte geven, die vast mond vol hebben van gerechtigheid, negeren de gewonde man en lopen snel voorbij. En daar hebben ze misschien wel vrome redenen voor. Bijvoorbeeld uit Leviticus. Ze moeten hun reinheid bewaren, en zo’n bebloed slachtoffer brengt dat zeker in gevaar. Maar vast zijn ze óók bang voor de struikrovers die dus actief zijn. Of hebben ze geen zin zich met hopeloze gevallen te bemoeien. Snel doorlopen maar! Subtiel rekent het verhaal af met dit soort hypocriete smoesjes. De priester en de Leviet dalen af, van Jeruzalem naar Jericho, en zijn dus niet op weg om hun tempeldiensten te verrichten. Als de dienst aan de Heer een excuus zou zijn om rein te blijven, dan wordt dat bij voorbaat ontkracht: ze zijn op de terugweg.
Maar uitgerekend een Samaritaan helpt het slachtoffer aan de kant van de weg. Van zijn eigen volk moet de gewonde man het niet hebben, de priester en de Leviet laten hem letterlijk links liggen. Maar van die geminachte ander ontvangt hij barmhartigheid: de Samaritaan helpt en verzorgt hem, en staat, ook financieel, borg voor zijn verzorging. Voor de Samaritaan is de gewonde man een naaste, die hij helpen wil. Zo wordt het verhaal vaak gelezen. De Samaritaan die anders dan de erkende maatschappelijke voorbeelden de nood ziet en lenigt. Die zo de gerechtigheid en daarmee God dient. En ons zo een spiegel voorhoudt. De Samaritaan wordt ten voorbeeld gesteld om naar je naaste om te zien. Want de naaste is wie jij helpen kan.
Zó bezien is de naaste is het slachtoffer die door de Samaritaan geholpen wordt. Maar dáár heeft de gelijkenis van Jezus een verrassend staartje. Want de naaste waar het Jezus om te doen is, is eigenlijk niet het slachtoffer. Maar is de Samaritaan zelf, die naaste wordt ván het slachtoffer. De naaste is niet in de eerste plaats diegeen die hulp nodig heeft, maar de naaste is wie hulp geboden heeft en wiens hulp jij nodig had en geaccepteerd hebt.
Dat gaat flink wat verder dan de boodschap dat we ons om slachtoffers moeten bekommeren; hoewel dat zeker óók met deze gelijkenis wordt gezegd. Het gaat er vooral óók om dat de geminachte ander niet langer als vijandelijke vreemde buiten jezelf kan blijven. Wie door een Samaritaan zo is geholpen kan niet langer op hem neerkijken, maar wordt gedwongen diens goedheid te zien en te waarderen. De geminachte ander blijkt naaste te zijn geworden, omdat híj de nood heeft gezien, er medelijden heeft betoond en niet zijn eigen belang, maar dat van het mishandelde slachtoffer heeft gediend. Omdat, met andere woorden, liefde sterker was dan zelfzucht en zuiverheid.
De opa uit het plaatje van het begin toont een dergelijke ommezwaai. Als vergelijking met het verhaal van Barmhartige Samaritaan gaat het vast in veel opzichten mank, maar dat liefde de vooroordelen hebben doen versmelten is gelijk. Opa die niets met zijn half-gekleurde kleindochter te maken wilde hebben, heeft zijn afstand niet kunnen bewaren in het contact met het onbevangen wichtje. Kroop ze gewoon bij hem schoot, vertrouwde zij zich aan hem toe, kon hij de kwetsbaarheid van het kind niet op afstand houden? Het staat er allemaal niet bij, maar wel toont het dat eigen identiteit niet tegen de geminachte ander moet worden vormgegeven. Maar dat het in de toewijding van liefde mag liggen.
Dat geldt voor opa’s, dat geldt voor volken. Dat geldt hopelijk ook voor internationale politiek. En dat zal een uitweg uit de polarisatie zijn die onze tijd zo teistert. En daar wordt je beter van. Zoals ook de opa van zijn eigen afkeer is gered.
Amen
Deel deze preek
Leviticus 21: 1-6
De HEER zei tegen Mozes: ‘Zeg tegen de priesters, de zonen van Aäron: “Een priester mag zich niet verontreinigen door een overleden familielid aan te raken, behalve als het een naaste bloedverwant betreft, dat wil zeggen zijn moeder of vader, zijn zoon of dochter, zijn broer of zijn ongehuwde zus, die nog niet aan een man toebehoort en dus deel uitmaakt van zijn naaste familie. Maar hij mag zich niet ontwijden door zich te verontreinigen vanwege een sterfgeval in zijn schoonfamilie. Priesters mogen hun hoofd niet kaalscheren en geen stukken uit hun baard knippen. Ook mogen ze geen tekens in hun huid kerven. Ze zijn voor hun God geheiligd en mogen de naam van hun God niet ontwijden. Zij bieden de HEER de offergaven aan, het voedsel van hun God, en daarom mogen ze zich niet ontwijden.