2e zondag van Pasen
Gemeente van Christus,
Laat ons weer stilstaan, blijven stilstaan bij het wonder van Pasen. Het wonder van Jezus’ sterven. De Koningszoon, God, onze Heer, die alle glorie toekomt. Die in liefde het lijden van de mens op zich nam. Het kruis droeg, eraan genageld werd en volledig verlaten, gebroken en vernederd, tot ons is gekomen en ons heeft bevrijd. Ons heeft verlost, van de verlatenheid en gebrokenheid van het menselijk bestaan.
De Heiland, die door allen verraden en in de steek is gelaten: door Judas verraden met een kus; door Zijn leerlingen, die een voor een wegvluchten tijdens Zijn arrestatie; door Petrus, de rots, die Hem had gezworen nooit in de steek te laten en toch zwoer dat hij Jezus niet kende. Die Heiland is opgestaan! Iets wat we vorige week natuurlijk uitgebreid gevierd hebben en wat ze in het Oosten van Europa, ook in Oekraïne, deze week vieren.
We hebben net gelezen hoe Hij bij de leerlingen verscheen, zeggend: vrede zij met jullie. De leerlingen die Hem in de steek hadden gelaten, die waren weggevlucht, die hadden gezegd dat ze Hem niet kenden, wenst Hij vrede toe. Het eerste wat Hij zegt.
Geen teleurstelling: hoe konden jullie het nou niet weten?! Heb Ik jullie niet zo vaak gezegd dat Ik moest sterven? Geen verwijten over hoe klein hun geloof en vertrouwen wel niet is. Enkel vrede spreekt Hij over hen uit.
Dan komt Thomas, de ongelovige Thomas. Al zijn medediscipelen zeggen dat ze Jezus hebben gezien. Al zijn vrienden zweren bij hoog en laag dat Jezus weer leeft. Maar Thomas heeft er geen vertrouwen in. Enkel als hij de wonden kan voelen, kan hij het geloven.
En Jezus komt hem toe in zijn ongeloof. Hij verschijnt weer aan de discipelen, misschien zelfs alleen voor Thomas. Weer begroet Jezus hen met vrede, niet met verwijten. En Hij staat Thomas toe Zijn wonden te voelen, zodat hij kan geloven.
En dan misschien wel het mooiste stuk in het verhaal, het stuk dat mij het meest raakt: wij, die hier zitten, worden gezegend. Wij die het niet hebben gezien, die geen empirisch wetenschappelijk waarneembaar bewijs hebben, maar wel geloven wat er geschreven staat.
Ook in de eerste brief van Petrus komt deze lofprijzing terug. Het is een brief geschreven aan de ‘diaspora’. De gelovigen die als vreemdelingen leven, verspreid over het land, over de wereld. Ergens zijn wij dat niet. In onze Joods-Christelijke cultuur kunnen we niet zeggen dat we als vreemdelingen leven. Tegelijk is het geloof veel mensen vreemd. Weten mensen niet meer wat ze ermee aan moeten, wat het betekent. Mensen willen er ook niet van weten. Nederlands eigen moeten we ons geloof vooral achter onze eigen voordeur houden. Het is een vreemd iets daarbuiten, het hoort niet thuis in het publieke domein.
Mijn echtgenoot noemt het weleens op zijn werk, simpelweg omdat ter sprake komt. Omdat hij iets leuks gedaan in de kerk en dat wil vertellen of iets dergelijks. Niet alsof hij hen direct wil bekeren, hij spreekt over zichzelf en zijn eigen ervaringen zoals we dat doen in gesprek. Maar soms willen mensen er niets van horen. Worden ze boos of gefrustreerd dat het ter sprake is gekomen.
Ik denk dat ik niet uit hoef te weiden waarom dit aan heel begrijpelijk is. Het christelijke geloof wordt vaak gebruikt om macht uit te oefenen op anderen. Om terug te gaan naar ‘de goede oude tijd’, waarin we nog normen en waarden hadden, mannen en vrouwen nog duidelijke rollen hadden en het leven simpelweg beter was.
Het christelijk geloof is ook lang een zware last geweest en is nog steeds een zware last voor sommige mensen en in sommige kringen. De term ‘religieus trauma’ wint niet voor niets aan populariteit.
Dus misschien mogen wij ons ook langzaam maar zeker onder de ‘diaspora’ rekenen. Christenen die als vreemdelingen leven, want niemand kent ons nog. Zowel de progressieve als de conservatieve kant van het christendom, om even scheidingslijn te trekken die er niet helemaal is, horen niet thuis in dit plaatje, maar zijn vaak een stuk menselijker. Een stuk liefdevoller en een stuk vreemder dan men denkt.
Misschien vergeten wij soms zelf ook hoe vreemd we eigenlijk zijn of weigeren we als vreemden te zijn. Elke zondag een Wezen te aanbidden, die we nooit hebben gezien. Wiens bestaan niet bewezen kan worden. Een wezen, die boven het begrip uit zou gaan, die niet beschreven kan worden. Daarbovenop vertellen we ook nog eens sprookjes over wonderen. Mensen die opstaan uit de dood. Zieken die genezen worden. Engelen, zwangere maagden, water dat in wijn verandert.
Als tiener in de kerk dacht ik dat we het allemaal niet geloofden. Dat we allemaal stilzwijgend het eens waren dat zulke dingen niet konden. Misschien was er wel een God, die ver weg was. Alles had geschapen, maar Zich daarna terugtrok. Het aan ons liet, in voor- en vooral in tegenspoed.
En voor zo’n God had ik het niet over om elke zondag naar de kerk te gaan. En in zo’n God verloor ik langzaam maar zeker mijn vertrouwen. Wat hebben we aan een God die niets doet en alleen maar toekijkt, terwijl kinderen verhongeren. Mensen worden misbruikt en uitgebuit. De wereld langzaam maar zeker lijkt te vergaan.
Ergens lijkt het ook zo, als we de brief van Petrus lezen. De lezers hebben verdriet, ondergaan beproevening, die ‘nog een korte tijd’ zullen duren. We weten dat ze werden vervolgd voor hun geloof. God redt ze niet, ze zijn immers al gered. Hun eeuwige leven is gewaarborgd in het sterven en opstaan van Jezus Christus. Al het onderverdiende lijden dat ze nu moeten ondergaan zal later terugbetaald betaald worden in eer en glorie die ze ontvangen. Maar nu nog niet. Nu staan ze er alleen voor.
Zo voelt het soms ook voor ons. Wij worden niet vervolgd of uitgescholden omdat we christenen zijn en daar mogen we zeker dankbaar voor zijn, maar het voelt soms wel alsof we er alleen voor staan. Als kerk in maatschappij, die langzaam verdwijnt. In onze eigen familie, waar we misschien nog de enige zijn die naar de kerk gaan. Zelfs in de kerk lijkt het soms alsof we er alleen voor staan. Zonder God en zonder medestanders. Als vreemdelingen.
En hoewel we dus niet vervolgd worden, zoals de eerste lezers van de brief, hebben we dus wel overeenkomsten met hen. De brief is ook een beetje voor ons geschreven. Ik weet niet hoe bekend u bent met de brief, maar zeker in de moderne tijd zitten er wat haken en ogen aan. Slaven, die worden gestraft zonder reden, worden gezegd het maar te ondergaan. Vrouwen, die het gezag van hun echtgenoot maar moeten accepteren en vooral stil en zacht van gemoed moeten zijn.
Ook in de confessies van Augustinus, een soort autobiografie, bewondert Augustinus zijn moeder vooral omdat ze de mishandelingen en driftbuien van zijn vader zo goed en gewillig, zachtmoedig, kan doorstaan. Zich niet verzet en zo een goed voorbeeld is, voor andere vrouwen en voor haar echtgenoot.
Laten we allereerst zeggen: dat niet hoe het hoort. Ook Petrus zegt mannen om hun vrouwen met respect te behandelen, hij is absoluut geen voorstander. We moeten deze brief dan ook absoluut niet lezen alsof het huiselijk geweld goedpraat. Laten we duidelijk zijn: het is een schending van het huwelijk, van de menselijkheid, om je partner te mishandelen, te onderdrukken en niet te respecteren. En ik moedig mensen van harte aan om hulp te zoeken in zulke situaties, al is het natuurlijk makkelijk gezegd dan gedaan, maar moet gezegd worden.
Net zoals slavernij een schending is van de schepping van God. Hoe kunnen we werkelijk zeggen dat een ander onze eigendom is, wanneer ze zelf een mens zijn.
Maar goed, ik zal niet te diep in deze dingen gaan. Er zullen weinig slaveneigenaren onder ons zijn. Het punt dat we mee moeten nemen is dat de brief van Petrus in de context begrepen worden. Vrouwen konden niet werken, niet zelf leven. Konden zich niet bevrijden van de man die hun onderdrukten. Het systeem van slavernij kon niet door de kleine groep Christenen, die zelf vervolgd werden, overwonnen worden.
Petrus weet dit maar al te goed en herinnert de lezer en daarmee ons eraan dat wij, wanneer we lijden, wanneer er onrecht is, wanneer we ons eenzaam afvragen of er iemand is die naar ons omziet, dan zijn we daarin niet alleen. Dat zijn de momenten waarop Christus, die aan het kruis uitroep ‘mijn God, waarom heeft U mij verlaten?!’ het dichts bij ons is. Dit herhaalt Petrus meerdere keren in de brief.
En niet alleen dit, maar hij herinnert ons aan de vreugde die we in God mogen vinden. Het moment dat we Zijn genade ervaarden, Zijn liefde konden proeven. Hij herinnert ons eraan hoe bevoorrecht we zijn in ons deelnemen aan de redding van God. Het geheim dat zelfs de engelen wilden weten, daarin nemen wij deel.
Dat is niet een aanmoediging van stil wachten. Het is een aanmoediging in uithouding.
Zoals iemand die een marathon loopt. De finish is nog niet in zicht, de uitputting is merkbaar in alle ledematen. Zijn voeten wegen als lood, het is warm, hij zweet zich kapot en hij heeft zo’n dorst. Hij wil het opgeven, hij kan niet meer. En dan staat daar zijn vriend met een bord: Je kunt het! Nog even door! Denk aan hoe blij je zal zijn als je de finish hebt gehaald.
Dat is de brief die Petrus schrijft. De aanmoediging die ook wij nodig hebben. Wij die soms niet weten waar God is. Die steeds meer als vreemdelingen in het land leven, onbegrepen en ongekend door de mensen om ons heen. Wij, die de kerk zien krimpen, die zien hoe het christelijk geloof enkel een politiek middel wordt. Wij, die nog hoop hebben, in deze hopeloze wereld vol oorlog, machtsmisbruik en onbegrip, maar soms zelf aan die hoop beginnen te twijfelen.
Want we moeten toegeven: het is vreemd, wat wij geloven: een God die is gekruisigd en uit de dood is opgestaan. Thomas kon het alleen geloven nadat hij de wonden had gevoeld. Zo wist hij zeker dat het Jezus was, die gekruisigd was en die weer voor hem stond.
Wij moeten het doen in vertrouwen en geloof. Een geloof dat de leerlingen, die Jezus hebben zien sterven, niet hebben gelogen over Zijn wederopstanding. Vertrouwen dat ze dit feit, waar ze tot de dood toe in volhardden, niet zelf hadden verzonnen met zijn allen, of zelfs gedroomd.
Vertrouwen dat wij het geheim ertussen weten, wanneer historici het erover eens zijn dat Jezus heeft bestaan en is gestorven aan het kruis. Wanneer ze weten dat Zijn leerlingen overtuigd waren dat Hij uit de dood was opgestaan, maar dat ze niet kunnen uitleggen waarom ze dat
dachten. Misschien mogen we Thomas erop geloven, dat hij de wonden heeft gevoeld en daarom geloofde.
En als ik er zo aan denk, is het misschien niet vreemd. Dat we met zijn allen geloven in de waarheid waar al die discipelen voor wilden lijden en sterven, zonder er enige winst mee te boeken.
Dat we met zijn allen geloven in een God, wiens liefde we misschien hebben mogen proeven. Wiens genade we hebben ontvangen in Zijn sterven en in onze doop. Het klopt misschien niet. Het is misschien onmogelijk en onredelijk, maar dat was het altijd al. Zelfs in het Nieuwe Testament zien we al dat het christelijk geloof als belachelijk werd beschouwd. Niet omdat ze geloofden in een Vader in de hemel, maar omdat ze geloofden in een God die vernederd is aan het kruis.
Dus laten we onze voorgangers volgen en vol vertrouwen het uithouden in ons belachelijke geloof. Want God is daar, terwijl wij de marathon van het geloof rennen, loopt Hij naast ons. Met alle pijn en moeite die erbij komt. Wanneer wij niet weten of we de finishlijn wel halen, geeft Hij eens een steuntje in de rug door de Heilige Geest.
Wanneer we ons alleen voelen, thuis, op het werk, in Nederland of in de kerk, zit Hij naast ons en lijdt Hij met ons.
In alles, houdt moed. Want wij mogen, hoe ongelofelijk het ook is, deel uitmaken van het geheim van Gods redding. Door Gods genade.
Amen.