Vervangingstheologie
Zou het eerste verbond zonder gebreken zijn geweest, dan was er geen ruimte geweest voor een tweede
‘Zou het eerste verbond zonder gebreken zijn geweest, dan was er geen ruimte geweest voor een tweede.’
Zusters en broeders,
Er wordt soms een flink punt gemaakt van de termen Oude en Nieuwe Testament. De suggestie is immers dat het ‘Oude’ Testament verouderd is, en vervangen door het ‘Nieuwe’. En die vervangingstheologie is sinds de 2e wereldoorlog flink in de verdachtenbank geplaatst. Terecht, als het de bedoeling was om het Oude Testament, en daarmee in één veeg het hele Jodendom, af te schaffen. Vlak vóór dodenherdenking en Bevrijdingsdag herinneren we ons de gruwelijkheden van de tweede wereldoorlog maar al te goed. Miljoenen doden door oorlog en terreur, en de systematische vernietiging van het volk van de Joden. Zonder twijfel heeft óók het christendom schuld aan de manier van denken die hieraan ten grondslag ligt en is er na de oorlog een grote gevoeligheid voor anti-semitisme gekomen.
Misschien wel een té grote gevoeligheid, want het woord wordt inmiddels óók gebruikt om de gruwelijkheden van een bloedvergietende terreurstaat te verhullen. Kritiek op de staat Israël is toch immers kritiek op Joden, en bij alle kritiek op Joden hangt het verwijt van antisemitisme snel in de lucht. En zou het, theologisch, ‘rieken’ naar vervangingstheologie. De terechte huiver voor anti-semitisme wordt daarmee onterechte immunisering van staatsterreur. En dan krijgt het kwaad vrij spel.
Wat daarvan komt, voltrekt zich onder onze ogen. Voorgaande jaren was Gaza volop in beeld; de landstreek die als represaille voor een lafhartige aanslag, buiten alle proporties met de grond gelijk is gemaakt, en kwaad meer dan 15-voudig met kwaad beantwoordde. De aandacht is inmiddels verlegd, maar het kwaad is niet tot rust of tot staan gebracht. Niet alleen is er een heuse oorlog in het Midden-Oosten uitgelokt, ook wordt in het zuiden van Libanon een zelfde strategie als in Gaza gevolgd, wordt de Golan-hoogte gekoloniseerd en worden op de West-bank de Palestijnen weggepest en joodse feestjes gevierd op gestolen land. De politiek is allang blij dat het wat buiten de schijnwerpers blijft. En de kerk óók. Want dan hoeven we er ons er niet over uit te spreken, en hoeven we de confrontatie met de vervangingstheologie niet aan te gaan.
De Bijbel doet er niet moeilijk over. Hier in de brief aan de Hebreeën wordt óók gesproken van een eerste en een tweede verbond, maar wel in onverbloemd oordelende zin: het eerste verbond is mislukt en er is een beter verbond in Christus begonnen. Wel degelijk vond het vroege christendom dat het Nieuwe Testament beter was dan het Oude, en zijn die termen ook niet voor niets zó in gebruik gekomen. Antisemitisch was dit echter zeker niet, want de vroegste christenen wáren allemaal joden. Er zat geen rassenhaat onder, maar de vraag hoe de godsdienst met het geleefde leven samenhing. De discussie die woedde was niet anti-joods, maar intern-joods. En ging erover welke consequenties godsdienst moest hebben. Was God een kracht die menselijke belangen altijd zou steunen, of moeten mensen de regels van God volgen? Dient God ons, of moeten wij God dienen? En dat had direct maatschappelijke en politieke consequenties.
Die consequenties kunnen ook wij gemakkelijk herkennen, en de discussie uit Hebreeën staat helaas minder ver van ons bed dan we misschien zouden denken of zouden willen. Want geregeld wordt ook in het huidige internationale politieke klimaat een beroep op godsdienst gedaan, en lijken christelijke stromingen aan invloed te winnen die niet naar de opdrachten van God luisteren, maar Hem gebruiken als sluitstuk van hun argumenten: God wil, wat ik wil, dus iedereen moet zijn mond houden!
De brief aan de Hebreeën is direct relevant voor deze discussie. De link van de godsdienst met de vanzelfsprekende, officiële macht wordt ondermijnd. De tekst sluit nadrukkelijk aan bij de joodse achtergrond omdat het priesterschap centraal wordt gesteld. Maar Jezus wordt daarbij voorgesteld als hogepriester in het ‘ware heiligdom’, die als tent door de Heer, en niet door mensen is opgericht. In de context van de eerste eeuw valt dan op dat het niet over de tempel gaat. De tempel die nauw verbonden is met de macht van de leiders van het volk. En die de godsdienst vaak gebruiken werd om hún eigen positie te ondersteunen, in plaats van Gods gerechtigheid na te streven. Dáár levert Hebreeën kritiek op. Niet van buiten het jodendom, maar van binnenuit. En hij herneemt een discussie die al veel vaker was aangeroerd. Door de profeten.
De schrijver van Hebreeën kent zijn joodse klassieken goed. Sprekend van het Nieuwe Verbond geeft hij een lang citaat uit de profetie van Jeremia (31: 31-34). Ook deze profeet kaart de ontrouw van het volk aan. Als je terugbladert in Jeremia dan wordt duidelijk waar de schoen precies wringt. Jeremia wijst op afgoderij en losbandigheid van zijn tegenstanders, en wrijft hen leugens aan: het steunen van misdadigers. Als je weet dat de twee afgoden bij uitstek in het Nieuwe Testament: Ceasar (militair geweld) en Mammon (geld) zijn, en als je hebt gehoord van de Epstein Files, dan kan het verwijt van afgoderij en losbandigheid één-op-één op onze internationale politiek worden gelegd. Net als veel andere profeten wijst Jeremia op het veronachtzamen van recht en gerechtigheid, op onderdrukking, op het uitbuiten van vreemdelingen en andere zwakken in de samenleving, op het plegen van geweld tegen hen, op het vergieten van onschuldig bloed. Als je het Nieuws een beetje volgt, dan kun je dit verwijt één-op-één op de situatie in het Midden-Oosten leggen. En speciaal wijst Jeremia erop dat vrome taal en ook offers niet voldoende zijn om dit geweld goed te praten. De ‘profeten’ die dat doen, zijn valse profeten, die meer om hun eigen belangen dan om de dienst aan God denken, en die de heersende klasse eerder stroop om de mond smeert dan confronteert met het onrecht dat ze doen.
Dáárin wordt een nieuw verbond met God gesloten, dat het om recht en gerechtigheid gaat, en dat dat niet in macht en geweld wordt gewaarborgd, maar in het doen van liefde. In feite was dit waar het stééds al over was gegaan en waar óók het Oude Testament op drijft. Maar er is toch een verschil: de rol van God zelf in het verhaal. In het Oude Testament is Hij de wrekende God, in het Nieuwe Testament de lijdende. En dat heeft andere consequenties. Als God in Zijn Almachtigheid zich wreekt op Zijn vijanden, dan loont het, ook als menselijke machthebber, om die God aan je zijde te hebben. En het middel bij uitstek is het handjeklap van offerdienst. Net als veel andere volken in de omgeving, kan de gedachte dan rijzen dat je God met offers en beloftes kunt binden. Kunt dwingen. En de typische plek om dat te doen is de tempel in Jeruzalem. De tempel die in het hart van de joodse samenleving stond en die de doorslaggevende positie van de priesterklasse bepaalde.
En als de brief aan de Hebreeën de tempel helemaal niet noemt, en Jezus als hogepriester bóven de joodse hogepriesters plaatst, dan wordt er duidelijk een andere weg ingeslagen. Dan gaat het bij offers om de dienst aan God, en geeft Jezus hier zelf het voorbeeld, door niet in Almachtigheid zich te openbaren, maar als dienaar in de wereld te komen.
In Christus wordt er wel degelijk een andere weg ingeslagen. God legt niet alleen Zijn wetten dwingend op, maar komt de gerechtigheid zelf gestalte geven. Als we dat willen navolgen, dan gaat het niet aan om God voor onze eigen karretjes te spannen, maar dan is de vraag hoe we in dienende zin tot navolging kunnen komen. Dan is ook dreiging niet meer de drijfveer, maar wordt de kracht van liefde gezocht.
Bij de profeten uit het Oude Testament klonk de oproep tot gerechtigheid, in het Nieuwe Testament klinkt het nog luider. De boodschap van het christendom verdraagt zich daarom niet met het schenden van gerechtigheid en het verraden van de liefde. Dat is overigens precies de reden waarom antisemitisme altijd slecht is. Maar het is evengoed de reden om misbruik van ‘antisemitisme’ om onrecht te verhullen, met evenveel kracht aan de kaak te stellen.
Amen
Deel deze preek
Jeremia 22: 3-5
Dit zegt de HEER: Handhaaf recht en gerechtigheid, red wie beroofd werd uit de handen van zijn onderdrukker, buit vreemdelingen, weduwen en wezen niet uit, pleeg geen geweld tegen hen, vergiet in deze stad geen onschuldig bloed. Nemen jullie dit alles in acht, dan zullen Davids troonopvolgers door de poorten van dit paleis gaan, gezeten op paarden of rijdend op wagens, evenals hun hovelingen en hun volk. Maar als jullie niet naar deze woorden luisteren, dan zweer Ik bij mijn eigen naam dat dit paleis in puin zal vallen – spreekt de HEER.