Wie is die Jezus?
Zusters en broeders,
In deze weken na Pasen staat het Bijbelboek Hebreeën op het rooster. Het alternatieve leesrooster welteverstaan, dat afwijkt van de lezingen over Opstanding en Verschijning die normaal gesproken aan de orde zijn. In dit Bijbelboek gaat het niet zozeer om wat er gebeurde, maar meer om wat het betekent. En dat is niet zomaar even duidelijk. Want de gebeurtenissen met Jezus zijn eigenlijk verwarrend. Verrassend, verbazend, verbijsterend, vernieuwend. En ergens óók onthutsend en ondermijnend. Allerlei voorstellingen die mensen zo hadden, en hebben, worden bijgesteld of omgebogen. Dat dode mensen niet zomaar weer levend worden, bijvoorbeeld. Niet alleen nu, ook destijds niet zomaar ‘zoete koek’. Of dat een executie een ‘overwinning’ zou kunnen zijn. Of dat de zegen van God zou betekenen dat de beste die je kent aan beulen wordt overgeleverd. Wat moesten de volgelingen van Jezus met de kruisiging van Jezus aan? Met de verhalen en ervaringen van Zijn Verrijzenis? Hoe moest je dat plaatsen en begrijpen?
Zomaar even duidelijk was dat niet. Er gingen verschillende verhalen en duidingen rond. Verschillende verhalen en duidingen die niet naadloos op elkaar pasten of elkaar aanvulden. Ook, misschien wel juist, in de vroegste tijd kon er heel verschillend over Jezus worden gedacht. Dat lezen we terug in herontdekte, oude manuscripten zoals het Evangelie van Thomas, van Judas, of van Maria Magdalena. Boeken die niet in de Bijbel terecht zijn gekomen, maar die wel werden geschreven en gelezen. In feite kunnen we het óók in de Bijbel zelf lezen. We zijn gewend en geneigd om de Bijbel als Woord van God en daarmee als eenheid te lezen. Maar wie beter kijkt ziet dat er ook discussies woeden, dat er accentverschillen kunnen zijn en dat er over hetzelfde onderwerp verschillend kan worden gedacht. En dat is niet gek, maar logisch. Want het Christendom begint niet met een uitgewerkte dogmatiek, maar met de ervaring dat Jezus een alles-veranderend fenomeen is, begint met de aanvaarding dat Hij de Christus is. Maar wat dát dan precies betekent, dat is van meet af aan, niet zomaar duidelijk.
Jezus ís de messias, de gezalfde. Die gedachte sluit aan bij oude joodse verhalen en tradities, maar buigt ze ook om. Want de messias die bij de joden werd verwacht was een overwinnende held, niet een veroordeelde aan het kruis. Jezus buigt de betekenis van ‘messias’ om, en allicht werd dat niet door iedereen op dezelfde manier begrepen of geaccepteerd.
Ook in de brief aan de Hebreeën zie je deze discussie terug. Duidelijk sluit de brief aan bij de joodse traditie, maar evenzeer lijkt er een soort zoektocht gaande hoe Hij precies moet worden begrepen. En dat is interessant. En misschien ook wel troostend en bemoedigend. Want het gaat om vragen die wij ook kunnen hebben: wat moeten we eigenlijk met Jezus aan? ‘Jezus Messias’, dat floept er nog wel makkelijk uit. Maar wat betekent dat dan precies? Dat Hij mens was, dat geloven we nog wel, maar God? In de oudheid kon dat ook wel eens andersom liggen: dat Hij God was, wilde men wel geloven, maar mens? De kaders zijn anders geworden, maar de vraag wie Jezus is, wat Hij betekent, en zelfs hoe we daar een antwoord op zouden moeten geven en waarom, is nu, maar was óók toen aan de orde. De brief aan de Hebreeën neemt deel aan deze discussie. En vormt één van de stemmen, maar niet per se het definitieve antwoord.
Even een kleine inleidende opmerking. De brief aan de Hebreeën is in feite geen brief. Maar waarschijnlijk een uitgebreide preek die op was gestuurd met een begeleidend kattebelletje, dat aan het eind is bijgevoegd. Er wordt aardig wat kennis van de joodse achtergrond verondersteld, maar of het specifiek aan Hebreeën, Joden, is gericht, is niet per se duidelijk. Het lijkt wel uit de vroege tijd van het Christendom te komen, maar of er nog een intacte joodse context was, is ook niet duidelijk. En daarbij gaat het vooral over de vraag of de tempel in Jeruzalem nog functioneerde. Want dàt was de samenbindende factor in de tijd van Jezus en de eerste jaren erna.
In het Nieuwe Testament blijkt dat Joden geregeld strijdgesprekken hadden, -Jezus ook-, en flink en stevig van mening konden verschillen. Maar toch hoorden ze bij elkaar. En de eenheid lag niet in de eerste plaats in hun overtuigingen, maar in het doen van de godsdienst. In de cultus, de offers, de aanbidding. En daarmee had de tempel in Jeruzalem een centrale en samenbindende rol. De priesters en de hogepriesters, de Farizeeën, de Schriftgeleerden waren allemaal sterk op de tempel gericht en ook de volgelingen van Jezus, de vroegste christenen, gingen er volgens Handelingen, dagelijks heen om te bidden.
En dan is het ook dramatisch wanneer in 70 na Christus de tempel in vlammen op gaat, bij de verwoesting van de stad door de Romeinen. Het jodendom valt uit elkaar, en verschillende richtingen zoeken hun eigen weg. De Farizeeën zullen zo aan de basis van het huidige rabbijnse Jodendom komen te staan, terwijl de volgelingen van Jezus een andere lijn van de joodse traditie oppakken en het christendom zullen gaan vormen. En daarbij was een belangrijke vraag of het geloof gebonden is aan afstamming, of aan overgave? Aan geboorte, of bekering? Of het van feiten of van bekering -keuze!- afhangt. In dat krachtenveld zit ook het Hebreeënboek en op allerlei mogelijke manieren hoor je de echo van deze discussies: wie is Jezus? Hoe past Hij binnen de kaders van wat we hebben meegekregen? Wat blijft hetzelfde, wat verandert er? De brief aan de Hebreeën is een gesprek met de traditie.
Vorige week hadden we een gesprek met de traditie. De leden van de gespreksgroep JIP hadden de brief van Petrus gelezen en vonden dat niet per se makkelijk. Ze hadden de weg van de minste weerstand kunnen kiezen en een eenvoudiger lezing kunnen nemen voor de dienst die ze zouden voorbereiden. Maar ze namen de brief in feite serieuzer, door er mee in gesprek te gaan. Door brieven terug te schrijven, áán Petrus. Met veel respect, maar ook met vragen, aarzelingen, of tegenwerpingen. In feite, wat je in de Bijbel zelf óók terug kunt vinden.
Daarvan getuigt ook de brief aan de Hebreeën. In het stuk dat we gelezen hebben wordt Jezus gezien als een ‘hooggeplaatste hogepriester.’ We herkennen direct het belang van de cultus, want voor de offers in Jeruzalem was in de eerste plaats de hogepriester verantwoordelijk. Maar de tekst probeert op bepaalde manier achter de typisch joodse verhoudingen weg te duiken, omdat het de hogepriester Melchisedek hoger blijkt aan te slaan dan Aäron. Het joodse erfelijke priesterschap dat een feitelijk geboorterecht was wordt overtroefd door een priesterschap dat wordt verleend. Melchisedek, nadrukkelijk géén afstammeling van Abram, want tijdgenoot, is geen jood, maar wordt uitgeroepen tot ‘eeuwig priester’ en heeft zijn positie kennelijk verdiend.
In die lijn wordt Jezus geplaatst. Expliciet wordt aangesloten bij voorstellingen uit het Oude Testament, maar met Jezus in gedachten gaat het iets anders betekenen. In de lijn met Melchisedek is Hem het hogepriesterschap verleend. Hij is door God geroepen, en heeft gehoorzaamheid geleerd. Maakt Jezus dan een soort geestelijke promotie door? Volop als mens wordt Hij voorgesteld, die met ‘onze zwakheden kan meevoelen, omdat hij net als wij op de proef is gesteld’. Maar Zoon van God was Hij evengoed, die niet tot zonde is vervallen. De vráág hoe dat nou zit, -was Hij God en/of mens en hoe moet je dat denken-, zou de gemoederen nog eeuwenlang bezig houden. En houdt de gemoederen nog altijd bezig. En misschien is er juist geen definitief antwoord op te geven, omdat het altijd een vraag is waar iedere gelovige zelf mee bezig moet zijn. Gaat het niet om de vraag ‘wie Jezus is’, maar om de vraag die Jezus zelf stelde: ‘wie zeggen jullie dat Ik ben?’. En is het niet een vraag naar feiten, maar naar persoonlijke overgave en dus relatie.
Steeds betekent dat dat God met ons meegaat. Jezus heeft in persoon de joodse traditie een bepaalde richting opgestuurd, en veranderd. De vroegste volgelingen van Jezus hebben daar mee geworsteld: hoe moesten ze het nu allemaal precies begrijpen? En ook de latere kerk heeft dat gedaan. Steeds werd er met respect op de traditie terugkeken, maar steeds was ook de vraag hoe jíj het moest of mocht verstaan. En dus welke betekenis het had, welke betekenis het voor jou kon hebben. Dat laat zich nóóit met een laatste woord beslissen door een voorgeschreven tekst, want dat zal altijd afhangen van de centrale vraag van Jezus: wie zeggen jullie dat ik ben?
Die vraag wordt altijd steeds aan alle volgelingen van Jezus gesteld, en ook aan ons. En die vraag laat zich alleen beantwoorden wanneer we in gesprek gaan met het Woord van God. En met elkaar. In Hebreeën kun je zien dat het Woord van God dat zelf ook doet: spreken over hoe we over God kunnen denken. En hoe we ons kunnen laten aanspreken. Dat is nooit veranderd, die vraag is nog altijd ook aan ons. Die vraag zal nooit veranderen, want daarin heeft niemand van ons het laatste Woord. Het Laatste Woord, immers, is Hijzelf.
Amen
Deel deze preek
Genesis 14: 17-20
Toen Abram na zijn overwinning op Kedorlaomer en de andere koningen terugkeerde, kwam de koning van Sodom hem tegemoet in de Sawevallei, de huidige Koningsvallei. En Melchisedek, de koning van Salem, liet brood en wijn brengen. Hij was een priester van God, de Allerhoogste, en sprak een zegen over Abram uit:
‘Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste,
schepper van hemel en aarde.
Gezegend zij God, de Allerhoogste:
uw vijanden leverde Hij aan u uit.’
Abram gaf aan Melchisedek een tiende van wat hij had heroverd.