Alle preken

Werkgroepdienst Diaconie 15 maart

Johannes 9: 1-13 en 26-39
Een woord vooraf over wie deze overdenking gemaakt heeft.
We hebben stukken gezocht en daar onze overweging op gebaseerd. De twee
belangrijkste stukken zijn een preek van Bert Altena (predikant in oost-Groningen)
die we vonden op internet en een stuk uit een boek van Willem Barnard ‘Stille
Omgang’. Over dat boek zal ik straks wat meer zeggen.
Over het verhaal dat net gelezen is valt heel veel te zeggen. Maar we willen er nu
graag drie aspecten uitlichten. Elk van die aspecten zal worden geillustreerd met een
plaatje.
De eerste illustratie is deze: het
praten over iemand.
Er wordt in het verhaal veel over de
blinde gesproken.
Dat begint al meteen, als de leerlingen aan Jezus vragen hoe het komt dat hij blind
geboren is. Heeft hij zelf gezondigd, of is het de fout van zijn ouders? Verkeerde vraag,
zegt Jezus. Maar het is heel menselijk en makkelijk om over iemand te spreken. We
vullen het in, we hebben het over iemand, we denken voor de ander. Wanneer laten
we hem nu zelf eens aan het woord…?!
Als de man weer kan zien zijn er ook weer mensen die over de man spreken. De
farizeeën komen er bij. Die vinden er ook wat van. Ze ondervragen hem, maar dat de
man weer kan zien, dat lijkt hen nauwelijks te interesseren. Ze feliciteren hem niet,
ze zijn vooral geïrriteerd. Ze hebben hem nodig om inlichtingen over Jezus in te
winnen, op wie ze het hebben gemunt.
Over Jezus wordt gezegd dat hij de man ziet: In het voorbijgaan zag Jezus iemand die
al vanaf zijn geboorte blind was. Dat is heel wat anders dan de man gebruiken om je
wereldbeeld lekker overzichtelijk te houden (‘eigen schuld, dikke bult’) of om je gelijk
te willen krijgen.
We stappen nu over naar de tweede illustratie: de doop.
Ik noemde al dat een van de
bronnen voor deze overweging
het boek Stille Omgang was van
Willem Barnard; de theoloog en
dichter van wie we ook een aantal
liederen zingen in deze dienst.
In het boek Stille Omgang volgt hij het Latijnse brevier: een vroeg-middeleeuwse
traditie van een Bijbels leesrooster voor alle dagen, heel het jaar rond. Barnard
schrijft daarin een overdenking bij dat moment in het jaar dat onze lezing van vandaag
centraat staat. Dat moment valt ook in de voorbereiding op Pasen en valt op een
woensdag. Ik neem hieronder een stuk, enigszins aangepast, over van zijn
overdenking bij drie lezingen uit zijn brevierrooster, waarvan onze lezing van daarnet
er één was, naast een lezing uit Ezechiel en een uit Jesaja.
Op deze woensdag werd vroeger een beslissende stap gedaan. De catechumenen (in
de oude kerk waren dat volwassen personen die zich voorbereidden op hun doop of
vormsel) werden dan toegelaten tot de doop, na te zijn ondervraagd. Wij moeten dus
ook deze drie lezingen met de doop in verband brengen. Dat is ook niet moeilijk. Zowel
Ezechiel als Jesaja spreken van reiniging en nieuw leven. Maar het verhaal in
Johannes lijkt in eerste instantie niet erg toepasselijk. Of het moet gaan om vs 7, waar
het badwater van Siloam ter sprake komt; de genezene moet zich gaan wassen. Ja,
want er staat namelijk: hij ging heen, waste zich en kwam ziende terug.
Op het eerste gezicht lijkt het gezocht, bij nader inzien is het de tekst waar alles om
draait. Men heeft dit verhaal gehoord als een gelijkenis. De mensen zijn blind; ze zijn
geboren zonder oog voor de waarheid. Maar komen ze tot geloof en worden ze door
de doop met de Heer verenigd, dan wordt hun het gezichtsvermogen geschonken.
Hunn ogen gaan open, ze zijn ziende.
Wij hebben van huis uit een andere manier om zo’n verhaal te lezen. We leggen de
nadruk op andere punten. Bijv. op het wonder of op het twistgesprek dat volgt. Het is
begrijpelijk dat we zo lezen, want het verhaal is meelepend verteld. Maar alles wat
verteld wordt na die eerste zeven verzen, dus de overige vijf zesde van het hoofdstuk,
heeft betrekking op het nieuwe leven na de genezing. In de eerste zeven verzen gaat
het om de genezing zelf: de gelijkenis van de doop. Het vervolg was een verhaal over
het nieuwe leven, het leven van de gedoopten wier ogen geopend waren.
Tegen deze manier om de bijbel te lezen zou je kunnen inbrengen dat ze de tekst
vergeestelijkt. Vergeestelijking miskent het leed van de lijdenden. Maar als we de
boventonen van dit verhaal afsnijden doen we de tekst naar de andere kant te kort.
Het wonder wordt dan geen teken, maar een mirakel. En het verhaal komt dan terecht
in de categorie van de sterke verhalen en die zijn zwakker dan gelijkenisssen. Als we
de toespeling op de doop niet toelaten, zijn we geen goede verstaanders. We hebben
dan niet aan een half woord genoeg, erger nog, we halveren het verhaal en houden
alleen een onderste helft over: de realiteit.
Johannes’ werkelijkheidszin reikt verder. Als hij de doop beschrijft, op deze
‘gelijkenismanier’, dan heeft die doop wel degelijk te maken met het aardse leed, met
alle onvolkomenheid van een wereld die nog maar geen schepping wil worden. De
doop reikt veel verder dan we vaak denken en er is geen afgezonderd domein dat
‘religie’ heet. Wie gedoopt werd, leefde een nieuw leven. De catechumenen zullen met
spanning hebben geluisterd wat er volgt op die doop. De blindgeborene wordt
namelijk weggejaagd, uitgeworpen. De gedoopte wordt een outcast. Jezus zoekt hem
op en dan komt het aan op een getuigenis, een belijdenis: ik geloof, Heer. De mensen
die dit hoofdstuk lazen als een gelijkenis van duisternis naar licht wisten maar al te
goed wat de woorden betekenen die dan volgen: Ik ben gekomen, zei Jezus, tot een
oordeel. De leidslieden van hun wereld waren blind, zij waren tot zienden gemaakt.
De leidslieden van onze wereld zijn meer dan ooit verblind. Het is meer dan ooit nodig
dat we dit doopverhaal, wel verre van het te ‘vergeestelijken’, in de oorspronkelijke
zin realistisch verstaan en praktisch toepassen.
Nog één ding ten overvloede en daarmee komen we bij de derde illustratie: het licht.
Vrijwel het hele vorige hoofdstuk in Johannes (Johanne 8 dus)
gaat over het getuigenis, over het getuige-zijn, in het Grieks
‘martyr’. Het gaat om de vraag wie Jezus is. Hij zegt dan zelf: ‘Ik
ben het licht der wereld’ en dat spreekt voort in het hoofdstuk
dat vandaag voor ons opengaat. Die beide woorden, licht en
getuigenis, komen hier tot hun volle betekenis. Jezus is het licht
en hij is ook de oer-martelaar. Eens te meer gaat nu de
gelijkenis spreken en de doop wordt zoveel te meer een
‘sprekend beeld’. Uit een Egyptische duisternis komen we op
een andere oever... Daar is het Paasmorgen. We zijn van een
andere wereld, we koesteren andere inzichten, uitzichten, vergezichten. Ons is een
licht opgegaan dat alles verandert.
Aan deze ene man werd exemplarisch duidelijk waar het God om te doen is.
Hij is de enige in het verhaal die een geloofsuitspraak doet. Niet de leerlingen, niet de
buren, niet zijn eigen familie, niet de farizeeën. Alleen hij, de man die door Jezus werd gezien en gevonden.

15 maart 2026
Ontmoetingskerk

Johannes 9: 1-13

Johannes 9: 26-39