Alle preken

Het werk van God zichtbaar maken

‘Zolang Ik in de wereld ben, ben ik het licht voor de wereld’

Zusters en broeders,

Bij het verhaal van de genezing van de blinde man, gaat de aandacht gewoonlijk uit naar het wonder dat er gebeurt. Mooie verhalen, die wonderen, maar niet altijd per se gemakkelijk. Altijd rijzen er vragen of en hoe het allemaal kan, en rijzen er vragen waarom toen wel, en nu niet. Niet zo heel vreemd, want wonderen hebben vaak iets bovennatuurlijks en als wij zelf de grip verliezen en geen controle meer hebben, zouden we dan niet op goddelijk ingrijpen hopen? Toch is dat niet waar het bij wonderen in de eerste plaats om gaat. Veel méér gaat dat om het ‘zichtbaar worden van Gods werk’. Dat kan overigens wel degelijk óók wonderbaarlijke trekken krijgen. Maar dan moet je dat wel willen en kunnen zien. Een medische uitzondering kan je als ‘gewoon toeval’ zien, statistisch begrijpelijk. Maar dan verder betekenisloos. Als het in dank kan worden begrepen, en als teken kan worden aanvaardt, dan kan zo’n medisch toeval een diepere laag van betekenis krijgen en als wonder worden begrepen. Zouden we God zo niet in de wereld, in de schepping, terug mogen zien? Als verdiepende laag.

Daar kún je langs heen kijken. Omdat je het niet wil zien: ‘gewoon toeval’ mag niets met God te maken hebben. Want dan lezen wij mensen het er in, en dat is het niet ‘echt’ genoeg? Zo bezien, zou een wonder altijd op gespannen voet met natuurlijke verklaringen moeten staan. Zou het spotters aftroeven: het wonder als godsbewijs. Dan wordt geloof inzet van strijd wie er gelijk heeft, waarbij de spotters liefst het nakijken hebben: en wij, gelovigen, gelijk.

Maar dat is toch niet zomaar hetzelfde als het ‘zichtbaar worden van Gods werk’? Want Gods werk gaat toch niet om afbluffen, of je gelijk halen, of de strijd winnen? Gaat toch om het doen van liefde? Dat kwam Christus toch belichamen in de wereld? Niet de strijd die met alle middelen gevoerd moest worden, maar de dienstbaarheid aan anderen. Het belang van de ander staat voorop.

Als wij Christus willen volgen, en als het gaat om de zichtbaarheid van het werk van God, mogen wij ook vertrouwen dat Hij ons belang op het oog heeft. En dat we dat dus niet zelf hoeven te bevechten. En dat hoeft daarom helemaal niet per definitie bovennatuurlijk te zijn, maar dan heel goed ook om de diepe dankbaarheid gaan als je je gesterkt en gesteund voelt in verdriet, aanvechting, worsteling, of ook in vreugde. De aanwezigheid van God wordt zichtbaar waar liefde zich toont. Is Christus niet zó in de wereld, als het licht van Zijn liefde in de wereld schijnt? Niet alleen destijds in Jeruzalem, maar nu nog alle dagen overal op de wereld.

En dat kan verduisterd worden als haat en geweld de overhand nemen. En wordt cynisch wanneer haat en geweld in naam van God wordt ontketend. Omdat er dan geen vertrouwen is op de sturing van God, maar we onze eigen wegen met die van God tooien. En wij ons niet laten gezeggen door de liefde, maar we God laten buikspreken voor onze eigen belangen. En dat is tegen de liefde, want die gaat altijd om het dienen van die van de ander.

Een teken aan de wand is het opduiken van de leugen. De leugen dat je bedreigd wordt door een land dat over massavernietigingswapens zou beschikken. Een leugen die aan de basis stond van de golfoorlogen. Een leugen die ook nu bij Iran weer van stal wordt gehaald. Net als de leugen dat met het uitschakelen van een aantal kopstukken een heel land wordt bevrijd. Of de leugen dat een leider die zijn ministerie van defensie omdoopt tot ministerie van oorlog een man van de vrede zou zijn.

Maar zou de grootste leugen niet zijn dat God deze oorlog steunt en staat te juichen bij het platbombarderen van een land? Laat er geen misverstand over bestaan. Verschillende regimes in het Midden-Oosten zijn bepaald geen voorbeelden van rechtvaardige democratieën. Regimes, destijds in Irak, maar nu ook weer in Iran, die veel bloed aan de handen hebben en waar mensen met recht uit wegvluchten. Rouwig dat dat soort regimes ten val komen zullen we niet zijn. Maar is het zoveel beter om het hele Midden-Oosten als één grote vijand te zien die met alle middelen bevochten en overwonnen moet worden? Is het zoveel beter als de leugen het recht verdringt, en hardvochtigheid compassie minacht? Zeker is dat niet naar het gebod van Christus om de naaste lief te hebben en de vijand de andere wang toe te keren. Wie zo de Heer aanroept, misbruikt Zijn naam.

Misbruikt Gods naam, ten dienste, niet van de ander, maar van zichzelf. Die probeert zo de aandacht af te leiden van een vunzig verleden dat het daglicht niet kan verdragen. Die wil met diefstal van grondstoffen de eigen schuldenproblematiek afdekken. Die poogt corruptie en machtsmisbruik uit beeld te houden door de aandacht te richten op een vermeend gevaar van buitenaf. Die wil dat het werk van God niet zichtbaar wordt en hoopt dat de duisternis van de nacht zijn ongerechtigheid zal verhullen. En dan kan vrome praat geweldige diensten bewijzen. Want wie God aan zijn zijde heeft, kan niet van repliek worden gediend?

Ooit, nu zo’n negentig jaar geleden was er zo’n leider die claimde door God gezonden te zijn. Een redder en een verlosser leek hij te zijn. Die opkwam voor een verdrukt en vernederd volk. Die aan politieke chaos een einde maakte en krachtdadig ingreep. Die duidelijke en heldere taal sprak (nou ja: schreeuwde, tierde); een leider waar de mensen gráág achteraan liepen. Een leider die als gezant Gods werd voorgesteld, en waar óók de kerken en de gelovigen massaal achteraan liepen. Maar een leider die niet gaf om de evangelische liefde. Slechts de goddelijke kracht riep hij aan zodat hij zich onoverwinnelijk en onaantastbaar kon wanen. Niet Gods regels diende hij; hij liet God hem dienen: ‘Gott mit uns’ stond er op de riemkoppels van zijn soldaten.

Het is van alle eeuwen: God voor het karretje van menselijke politiek spannen. We zien dat zelfs al terug in het Oude Testament, waar soms oorlogshitsers de naam van God in de mond nemen. In de Middeleeuwen trokken christelijke legers ten strijde tegen de Moslims die Jeruzalem hadden bezet. Om dat te bevrijden, en om onderweg een christelijke zusterstad als Constantinopel te plunderen; en meteen van een lastige handelsconcurrent af te zijn… Deus vult, riepen de kruisridders, ‘God wil het’ en dekten daarmee hun bloed- en gouddorst af, en smoorden misschien hun eigen geweten. Juist die kreet Deus Vult heeft de minister van defensie (ik bedoel: oorlog) in vette gothische letters op zijn arm getatoeëerd; en dat is vast niet omdat hij liever minister van vrede zou willen zijn. In hem wordt Gods werk zeker niet zichtbaar.

Maar hoe maken we dan onderscheid tussen het gebruik en het misbruik van de naam van God? Kun je er dan alles van maken? En wordt het geloof dan niet volstrekt onbetrouwbaar en onbruikbaar? Krijgen de spotters, die God niet in de wereld willen zien, gelijk?

Of zouden ons de ogen geopend moeten worden zodat het werk van God zichtbaar kan worden? Dat kan wanneer het licht van Christus schijnt, en een einde maakt aan de nacht. Wanneer aan het licht komt wat verborgen wordt gehouden. En wanneer de leugen plaats maakt voor de waarheid van Christus. Die waarheid is de liefde. En dat mag een criterium zijn om ook de vroomste taal aan te toetsen. Dient het de waarheid en daarmee de belangen van de ander? Of gebruiken we Gods naam om ons eigen belang te dienen? En gebruiken we Gods naam daarmee dus ijdel. En we weten allemaal dat dàt zeker niet de bedoeling is.

Amen

15 maart 2026
Wouter Slob
Bartholomeuskerk
Johannes 9: 1-12