Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle
Zusters en broeders,
‘Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle.’ De Bijbel is een bron van spreekwoorden en gezegden; al is deze misschien in onbruik geraakt. Kenmerkend wellicht, want het spreekwoord wilde zoveel zeggen als: hoogmoed komt voor de val. In onze tijd van grootspraak en borstklopperij is díe boodschap uit de mode geraakt; maar niet tot zegen van de mensheid. Onze samenleving lijkt van blaaskakerij aan elkaar te hangen. Van jongsaf aan krijgen we ingegoten dat we onszelf vooral héél geweldig moeten vinden. Bescheidenheid is onder de mat geveegd, eigendunk is de norm. Op het grote toneel van de wereldpolitiek kan dat letterlijk kracht worden bijgezet door een oorlog of inval hier en daar. Een kwaadaardig regime kan het slachtoffer worden, waar we niet rouwig om zullen zijn en sommigen verheugd. Maar het grootste slachtoffer is het recht, dat met voeten wordt getreden. En daar zouden we allemaal zéér rouwig om moeten zijn, en ons tegen uitspreken. Wat dat kan alleen van kwaad tot erger gaan.
Hoogmoed gaat gewoonlijk gepaard met het minachting en vernedering van de ander die minder en slechter is dan ‘wij’ en waartegen ‘dus’ geweld geoorloofd schijnt te zijn. In het ophemelen van jezelf zit de veroordeling van de ander. Dat spreekwoord in de tale Kanaäns werd juist dáár tegen ingezet: ‘Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle.’ Denk niet beter te zijn dan een ander, want je kunt zelf ook gemakkelijk uitglijden. Pas op met je oordeel!
Maar in de oorspronkelijke Bijbelse context, het stuk dat we net gelezen hebben, lijkt het oordeel van de ander eigenlijk wel aan de orde. Paulus houdt zijn gehoor voor niet zoals ‘de voorouders’ te zijn. Hij schrijft aan de jonge gemeente van Korinthe waar ruzie woedt. Met de voorouders bedoelt hij het volk Israël dat met Mozes meetrok vanuit Egypte door de woestijn op weg naar het beloofde land; dat nog ver en onbestemd was. Zoals zij deden, moeten wij het niet doen.
Maar Paulus geeft aan dat verhaal een heel eigen draai, met onverwachte en eigenlijk vreemde duidingen. Hij schrijft: het volk heeft zich laat dopen ‘in de wolk en in de zee’ in Mozes. Maar zo lezen we het toch niet in het Oude Testament. Zeker, het volk is doorgetrokken door de zee en een wolk trok met hen mee; maar: ‘gedoopt’? En dan ook nog in Mozes? Dat Mozes iedereen hetzelfde vertelde en leerde is vast het geestelijke voedsel en de geestelijke drank die voor iedereen hetzelfde was, en bij Meriba sloeg hij water uit de rost waarvan het volk kon drinken. Maar was dat een rots die hen volgde? En was die rots Christus? Dat lezen we zo evenmin in het Oude Testament.
Wel herkennen we de uitwassen van de voorouders. Paulus zinspeelt op afgodendienst, toen het volk in de woestijn at en dronk en danste om het gouden kalf. Hij zinspeelt op de koperen slang, die het gevaar van giftige slangen wegnam, en hij lijkt de opstand van Korach, Datan en Abiram te bespreken, die met hun families door de aarde werden verzwolgen. Hij citeert een beetje uit de losse pols, maar de mensen in Korinthe zullen vast hebben begrepen waar hij het over had: de weerspannigheid van het volk dat onderweg in de woestijn weliswaar bevrijd was uit de slavernij van Egypte, maar steeds weer morde en het gezag van Mozes betwistte, en geen vertrouwen leek te hebben in de hele onderneming, en in God.
En vast is dat wat Paulus bedoelt te zeggen: heb vertrouwen in God en laat je leiden door Christus. Dat was natuurlijk de centrale boodschap in het vroegste Christendom. Alle vroege volgelingen van Jezus hadden hun geloof in Hem uitgesproken en waren gedoopt in de naam van Christus. Maar wat dat allemaal precies betekende, was niet zomaar op voorhand duidelijk. En kon niet even worden nageslagen in het Nieuwe Testament, want dat moest nog worden geschreven. De ruzie in Korinthe ging precies dáárover: hoe moeten we het precies doen, dat volgen van Jezus. Waar gaat het om? Wat moet je doen en laten? En het bleek dat je daarover van mening kunt verschillen. Dat zou je kunnen uitvechten om je gelijk te halen, je zou het tegen elkaar kunnen uitspelen, om het vast te laten lopen. Maar Paulus dring er op aan de verschillen in de liefde van Christus te bespreken. En dan gaat het er vóóral om dat je niet je eigen gelijk haalt, maar dat van de ander zoekt.
Een belangrijk punt in die discussie is hoe de ‘mensen van de weg’ zoals ze zich noemden, zich moest verhouden tot de joodse achtergrond. Moesten ze, ook als volgeling van Jezus, de wetten uit het jodendom stip blijven volgen? En moest dat ook van Griekse of Romeinse bekeerlingen worden gevraagd? En wat met de verhalen uit de joodse traditie; doorvertellen of, zoals sommigen vonden, gewoon afschaffen? Er zaten allerlei behartenswaardige verhalen bij, maar er ook lastige stukken. Het offer van Isaak, leek dat niet verdacht veel op een heidens kindoffer; ook al ging het net niet door? Werd er niet véél bloed verspild, terwijl Jezus oproept tot het liefhebben van je vijanden? En was de genade iets dat je met het volgen van de wet moest verdienen, of is het een geschenk dat je in de eerste plaats ontvangen moet? Jezus legde sterke eigen accenten, maar zei er óók bij dat er geen tittel of jota van de wet mochten worden veranderd. Hoe moest je dat dan doen?
Paulus laat een manier zien hoe dat kan: de verhalen van het Oude Testament worden als een voorbode gezien van Christus. Het offer van Isaak is dan een voorbode van het offer van Christus. De verhoogde koperen slang een beeld van de verhoogde Christus: wie naar Hem opkijkt, behoudt het leven. En de doortocht door de zee, is beeld van de doop: het oude wordt achtergelaten en het nieuwe begint. Zo lezen we ook in de Paasnacht juist deze doortochtverhalen: met Christus gestorven en weer opgestaan, begrijpen het doortrekken door het water als een nieuw begin: de doop vernieuwt ons leven.
Bij deze manier van lezen gaat het niet om de oorspronkelijke bedoeling van de Bijbelschrijvers. Maar gaat het om de centrale rol van Christus. Als vleesgeworden Woord van God wordt Hij zo als sluitstuk van de schepping gezien, als sleutel tot alle waarheid, als centrum van de geschiedenis. Voorzover dat in de joodse voortijd al herkend kan worden, zit de waarheid van Christus er al in. Maar pas bij Jezus krijgt het volle betekenis. De verschillen met het Oude Testament zijn de restanten van deze onvolledigheid. Het was er al, maar nog niet volledig.
Zo moeten we ook onze eigen tijd verstaan. Paulus maant de inwoners van Korinthe om hun onderlinge twisten niet op elkaar te bevechten. Maar om het voorbeeld van Christus, -de boodschap van liefde en genade-, boven alles te stellen. Dan gaat het niet om veroordeling van, maar om dienstbaarheid aan de ander. Dan gaat het om gerechtigheid, respect, betrouwbaarheid. En dat kunnen we óók in termen van de internationale politiek vertalen; om te waarschuwen tegen een politiek van grootspraak, zelfzucht en preemptive strikes. Wat dat kan alleen maar van kwaad tot erger gaan.
Paulus schreef aan de Korinthiërs, maar wij lezen zijn woorden als boodschap ook aan ons. En de centrale boodschap blijft dan onverkort staan: Christus is als vleesgeworden Woord de centrale focus van de geschiedenis. Ook ons leven mag zo betekenis krijgen. Wij mogen in de volheid van Christus leven. En we mogen dat aan onze kinderen voorleven en doorgeven. Zo bedienen wij vandaag de doop. Niet ‘in Mozes,’ maar ‘in de naam van de Vader, en van de Zoon en van de Heilige Geest’. In de Vader, waarmee we de traditie meekrijgen, in de Zoon die het centrum van de geschiedenis is, en in de Heilige Geest die steeds met ons door de tijd heen gaat. Steeds mag het geloof concrete betekenis krijgen in ons eigen leven. En die concrete betekenis is dat we uit de liefde van Christus mogen leven, wat er ook zal gebeuren in ons leven. En dat is tenslotte nog een verschil met de voorouders waar Paulus het over heeft. Daarover schrijft hij immers dat de meesten ‘bezweken in de woestijn’ en dat die dus door God werden afgewezen. Maar in de liefde Christus worden we niet afgewezen, maar aangenomen. Vanuit die liefde mogen wij uit dankbaarheid in de wereld staan. En dat betekent niet eigendunk, maar dienstbaarheid.
Amen
Deel deze preek
1 Korinthe 10: 1-13
Broeders en zusters, ik wil graag dat u weet dat onze voorouders allemaal door de wolk werden beschermd en allemaal door de zee trokken, dat ze zich allemaal in de naam van Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee. En ze aten allemaal hetzelfde geestelijke voedsel en dronken allemaal dezelfde geestelijke drank. Ze dronken uit de geestelijke rots die hen volgde – en die rots was Christus. Toch wees God de meesten van hen af, want Hij liet hen bezwijken in de woestijn.
Dit alles strekt ons tot voorbeeld: wij moeten niet uit zijn op het kwade, zoals zij. Dien geen afgoden, zoals een deel van hen, over wie geschreven staat: ‘Het volk ging zitten om te eten en te drinken en het stond op om te dansen.’ Laten we geen ontucht plegen, zoals een aantal van hen, want daardoor stierven er op één dag drieëntwintigduizend. En laten we Christus niet tarten, zoals anderen deden, want daardoor werden ze door slangen doodgebeten. En kom niet in opstand, zoals weer anderen deden, want daardoor werden ze door de doodsengel vernietigd. Wat hun overkomen is, moet ons tot voorbeeld strekken; het is geschreven om ons, voor wie het einde van de tijd gekomen is, te waarschuwen. Laat daarom iedereen die denkt dat hij stevig overeind staat, oppassen dat hij niet valt. U hebt geen beproevingen te doorstaan die niet voor mensen te dragen zijn. God is trouw en zal niet toestaan dat u boven uw krachten wordt beproefd: Hij geeft u mét de beproeving ook de uitweg, zodat u haar kunt doorstaan.