Alle preken

Oerverleiding

Hoe kerk en theologie verschoven in 50 jaar

Zusters en broeders,

In zekere zin, ballen de kerkgeschiedenis vandaag samen in één dienst. Met het Gregoriaanse Koor hebben we de rijke traditie van de Romana in huis, we scharen ons aan de tafel van de Heer die ons de toekomst in draagt. En we hebben in de persoon van Jan Waagmeester een exemplarisch voorbeeld van de Protestantse Traditie in ons midden.

In de vijftig jaar dat hij predikant is geweest is er het nodige verschoven en veranderd. Daar heeft hij zelf over geschreven en het is boeiend om dat nog eens na te lezen. Tijdens zijn predikantschap is de theologie en het geloof een andere weg is gegaan, vergelijkbaar met de scherpe scheiding ooit tussen katholieke kerk en reformatie. En dat draait eigenlijk om de oer-verleiding van de mens: goddelijke kennis te bezitten.

Vanzelfsprekend doen we de kerkgeschiedenis te kort, door haar in één dienst samen te ballen. Maar als we alle nuances weglaten is dat wat er met de zondeval op het spel stond: kennis van goed en kwaad, waarmee we Gode-gelijk zouden worden. Kennis, waarmee we niet onderdanig aan God hoefden te zijn, maar Hem gelijk zouden wezen. En misschien zelfs, Hem naar de kroon konden steken. Want wie over goddelijke kennis beschikt, kan die niet namens God spreken? Namens God handelen? En heeft die niet God aan een touwtje, in plaats van andersom?

Dat is de verleiding waarmee satan Jezus belaagd, als Hij na Zijn doop de stilte van de woestijn intrekt. De beproever (satan) betwist niet de claim dat Jezus de Zoon van God is. Betwist juist niet dat hij daarmee dan toch eigenlijk God zelf is! Maar daagt Hem uit, om dus voor zichzelf, voor eigen macht, bezit en aanzien te gaan. Dat komt Hem toch allemaal toe: als Hij de Zoon van God is? Precies deze zelfzucht is de grote verleiding: de zelfzucht dat het om jezelf zou gaan; zelfs als je de Zoon van God, zelfs als je God bent.

Die verleiding heeft de kerk niet altijd kunnen weerstaan. Niet zelden heeft de kerk de waarheid, de macht, het aanzien en het bezit van God geclaimd. Leek het eigendom te zijn dat de kerk kon uitdelen, of kon onthouden. Dat gebeurde ooit in het katholieke verleden, waar de clerus absolute macht kon claimen. Maar dat gebeurde evengoed in de reformatie, waar de waarheid in termen van dogmatische belijdenisgeschriften werd vastgelegd. En waar kemphanen elkaar de tent uitvochten als er verschil van mening ontstond.

Dat kent Jan aan den lijve. De gevolgen van zo’n dogmatische strijd, waarin mensen zich de waarheid Gods aanmatigden en andersdenkenden dus verketterden. Aan den lijve heeft hij die strijd meegemaakt en moeten ondergaan. Op een manier die predikanten van een jongere generatie niet meer mee hebben gemaakt.

Het voert wellicht wat te ver om te menen dat Jan de hele kerkgeschiedenis van richting heeft veranderd. Maar hij is er wel degelijk een voorbeeld van. En een goed voorbeeld, waarvan wij de vruchten plukken. Waar hij op het strand van Schiermonnikoog nog kon worden vermaand, om van alles wat er niet zou deugen aan leer of leven, daar is die vijandschap stilaan uit de kerken weggevloeid. En de rol van de waarheid is daarbij van centraal belang. Want als er van waarheid sprake is in het geloof, dan is die bij God. En is nooit ons bezit. Laat staan dat wij er over kunnen beschikken om anderen mee om de oren te slaan. De generatie predikanten van Jan (we trekken het even iets ruimer), in feite de theologie en vooral het gemeenteleven, is die verschuiving gaan belichamen. Soms na strijd, kerkelijk, existentieel, in de huisgezinnen wellicht. Maar steeds méér zijn we gaan leven vanuit de gedachte dat niet wíj de waarheid bezitten, maar dat we die krijgen en uitdelen mogen. En dat we het niet moeten bevechten, niet hoeven te verdedigen, maar ermee tot dienst mogen zijn. Dat het daarmee nooit éénduidig is, maar dat we vanuit verschillende inzichten, perspectieven en tradities stem mogen geven aan de dankbaarheid dat we het leven, en de zin van ons bestaan, als geschenk mogen ontvangen. En goddank niet zelf hoeven te bewijzen of hoeven te verdienen.

Wat we krijgen, is wat ons is meegegeven. In plaats van elkaar daarmee om de oren te slaan, mogen we elkaar de diepgang en de zeggingskracht laten zien en horen. Dan kan het klassieke Gregoriaans stem geven aan een overstijgende lofzang die al eeuwen en eeuwen klinkt. Dan kunnen óók oude psalmen in de berijming van 1773 ons de tranen in de ogen brengen, of kan de liefde van God in een gloednieuw lied worden herkend.

En dáár mogen wij van leven. Van wat ons geboden en geschonken wordt. Daar mogen we elkaar in laten delen. Daar kunnen we iets van God in herkennen; kan ons een inzicht worden geboden dat ons kan verrijken of verdiepen. Soms kunnen we zien dat een ander is geraakt, maar weten we er zelf geen raad mee of spreekt het ons niet aan. En soms kost het tijd om te rijpen, en zien we pas later wat er aan rijkdom in verscholen ligt. Nooit gaat het om een exclusieve waarheid, altijd om hoe we elkaar nabij kunnen zijn. Om liefde en dienstbaarheid dus.

Waar dat is, leven we uit de Geest, stellen we God present en geven we gestalte aan Christus. Specifiek is dat aan de tafel van de Heer. Waar we in liefde allen welkom zijn, waar we elkaar ontmoeten en samen het lichaam van Christus vormen.

In zeker opzicht is de hele kerkgeschiedenis samengebald in deze dienst. En dat is geen geschiedenis van ooit of van vroeger. De rijkdom van de traditie (tradities) mag onszelf steeds vervullen, dragen en troosten. En dat nemen we na het afsluitende Amen steeds met ons mee. Want die geschiedenis van het christendom ligt niet achter ons, die draagt ons als belofte de toekomst in.

Amen

22 februari 2026
Wouter Slob
Maranathakerk
Genesis: 2: 25-17 Genesis: 2: 25-17