Adam en Eva
en de zondeval
Zusters en broeders,
Het is hoger zwartepieten; wat er daar in dat paradijs gebeurt. Adam en Eva proberen de schuld van hun ongehoorzaamheid af te schuiven en zo hun verantwoordelijkheid af te wentelen. Met enorme gevolgen. Want de erfzonde is er het resultaat van.
Nou ja, het zal misschien eerder andersom zijn. Dat het verhaal is ontstaan om de ontoereikendheid van de mens te verklaren en te begrijpen. En daarmee gaat het verhaal boven een eenmalige uitglijder uit en geeft het een kader om over zonde en schuld te spreken.
En het is verstandig om dat te doen. En dat is niet zomaar vanzelfsprekend meer. Want zonde en schuld zijn beladen begrippen geworden en stuiten bij ons op weerstand. Wel begrijpelijk, want eeuwenlang zijn we met de zonde om de oren geslagen. Was de boodschap niet vaak dat we nergens voor deugden? Er werd ons een minderwaardigheidscomplex aangepraat, en we vermoedden daar misschien terecht een complot van machtige mensen en instituten. Want die zouden de sleutel beheren, waarmee de schuld zou kunnen worden gedelgd. En dat gaf een enorme macht. Dat hebben we doorzien; dat willen we niet meer. De zonde, en zeker de erfzonde, schaffen we maar af. Wij laten ons niet meer koeioneren en bepalen het zelf voortaan wel!
Even ter achtergrond. Het verhaal van Adam en Eva gaat over de schepping van de mens. Vast weten we dat er in feite twéé verhalen zijn. Genesis 1, ten eerste, waarin de schepping van de mens deel uitmaakt van de zes scheppingsdagen en ‘ha-adam, de mens, mannelijk en vrouwelijk’ wordt geschapen. ‘Adam’ is dan nog geen naam, maar het woord voor ‘mens’. In het volgende hoofdstuk zal Adam een man blijken te zijn, die in zijn eenzaamheid een ‘helper’ krijgt. Een vrouw, genomen uit zijn rib, en die verderop in het verhaal Eva zal worden genoemd. In dit tweede scheppingsverhaal worden andere accenten gelegd en beide verhalen zijn ongetwijfeld eerst mondeling ontstaan en doorverteld voordat ze op schrift werden gesteld. Ze geven kaders aan waarbinnen gedacht werd. De ‘eenheid van vlees’ wordt daarbij expliciet genoemd: een man zal zich losmaken van zijn ouders om zich te hechten aan zijn vrouw. Bij de destijds gangbare relatievorm wordt de gelijkwaardigheid, bij monde van Adam, onderstreept. Naakt zijn ze nog, Adam en Eva, en ze schaamden zich niet voor elkaar. Naakt, zonder bescherming, en ook zonder status. Zonder maskers of vermomming. Zonder geheimen voor elkaar. Een paradijselijke staat. Waarin de mens, man en vrouw, in de tuin van God mogen verblijven, en kunnen eten van de boom des levens.
Maar van de boom ernaast, die van kennis van goed en kwaad mogen ze niet eten, want dan zullen ze ‘voorzeker sterven’. ‘Welnee,’ lispelt de slang, de listigste van alle dieren des velds. ‘Jullie zullen helemaal niet sterven, want gelijk zul je worden aan God. Dan heb je Hem niet meer nodig, en dáárom mag het niet.’ En zo zal Eva van de vrucht eten, zal ze Adam verleiden hetzelfde te doen, zullen ze God ongehoorzaam worden en hun plaats in het paradijs verliezen. En wij, de mensheid, zitten nog altijd met de gebakken peren. De zondeval is de erfzonde.
Hoe dat precies werkt is niet zo duidelijk. Is het menselijk DNA veranderd door het eten van de verboden vrucht? Kan schuld erfelijk zijn, maar hoe wordt dat dan doorgegeven? De kerkvader Augustinus had ooit een even sluitende als aanvechtbare theorie: seks zou zondig zijn, en ieder mens was uit seks geboren en dus bezoedeld met de zonde. Maar, reeds vóór de zondeval staat de eenheid van vlees beschreven, en de Bijbel doet in feite niet moeilijk over seksualiteit; dus Augustinus kon in dit opzicht weleens méér met zichzelf over hoop liggen dan een eeuwige waarheid raken.
Bestaat er zoiets als erfzonde, waarmee ieder mens zou zijn behept? Waarmee ieder baby’tje geboren wordt? Een erfzonde die in de doop wordt afgewassen? Het kan zeker niet de schuld van de zuigeling zijn, want die heeft nog geen kwaad in de zin gehad. Dus dan moet het toch wel iets zijn dat ons aankleeft? Maar gaat het dan om de diskwalificatie van wie wij als mensen zijn? Of gaat het juist om de ruimte waarin we tot onze bestemming kunnen komen?
Is de zondeval het einde van een paradijselijke staat, en wordt het daarna alleen maar minder? Of is het het begin van de heilsgeschiedenis, waarin de mens op pad gaat, ruimte krijgt en uiteindelijk thuis mag komen? Bij de verboden vrucht gaat het niet om een verdachte appelsoort, waar je beter van af kunt blijven. Het gaat om wat wel ‘morele autonomie’ wordt genoemd. Want wie kennis van goed en kwaad heeft, kan zelf oordelen vellen en is niet langer afhankelijk van het oordeel van een ander. De slang, de listigste van alle dieren des velds, heeft gelijk: wie van de vruchten van de boom van kennis en kwaad eet, wordt gelijk een God. Maar misschien is dat eigenlijk wel de bedoeling. Dat we niet afhankelijk blijven van God, maar ons in liefde tot Hem keren; tot Hem terug-keren.
Dan is kennis van goed en kwaad een noodzakelijk stap. Is dat niet waarom God deze boom toegankelijk heeft gemaakt? Hij geeft mensen de ruimte om ongehoorzaam te worden. Maar spreekt ons er ook op aan. En dan begint het zwartepieten: ‘de vrouw heeft me verleid.’ En Eva: ‘de slang heeft me ingefluisterd’. Flauwekul: je bent zelf verantwoordelijk voor je eigen daden. Kennis van goed en kwaad is niet alleen dat je gode-gelijk wordt, maar is dat je zelf verantwoordelijk wordt. En dat is een last die niet zo makkelijk te dragen is. Want als er iets verkeerd gaat, zou je de schuld dan niet graag af willen schuiven? Zou niet de hele wereld schuld hebben, en jij, jij kon er toch nooit wat aan doen?
Vaak is het verhaal van de zondeval gezien als het definitief verliezen van de paradijselijke staat, maar reeds in de oudheid is het óók gezien als verhaal van de volwassenwording van de mens. De erfzonde is dan niet zozeer een schuld die al duizenden en duizenden jaren van ouder op kind wordt doorgegeven, maar is de omstandigheid dat mensen fouten maken en daarop aanspreekbaar moeten zijn.
En is óók het inzicht dat we dat niet zelf hoeven te doen, maar dat we daarbij op Gods steun en genade mogen rekenen. Ja, de mens wordt ongehoorzaam aan God. En ja, de mens kan zelf tot morele oordelen komen en zelf gaan bepalen wat goed en kwaad is. Ja, dáármee verliest de mens het paradijs, want wie zelf de keuzes wil maken kan niet terugvallen op een gegeven orde maar wordt aansprakelijk. Ja, de mens wordt daarmee verantwoordelijk voor zijn eigen leven, zal moeten zwoegen en zal door barensnood heengaan. Maar zal niet alleen worden gelaten. In hun schaamte probeerden Adam en Eva zich te bedekken met vijgenbladeren. Maar God maakt kleren van dierenvellen; en geeft hen bescherming voor onderweg.
Zo gaat de mens dan op pad, de geschiedenis door. Met de kennis van goed en kwaad vellen we zelf ons oordeel en zijn we ‘autonoom,’ ‘zelf-wettend’ geworden. En is dat niet precies wat we willen; wij die ons niet meer willen laten koeioneren? Van niemand afhankelijk, aan niemand verantwoording verschuldigd? En liefst nergens op aanspreekbaar, want als het mis gaat, geven we de ander de schuld. Zijn we dan niet volkomen onszelf? Volstrekt autonoom. Of zijn we het paradijs dan pas echt kwijt en wordt het leven dan pas echt een hel? Als we niet aanspreekbaar willen zijn, en niet zondig willen zijn, dàn is iedere misser een volkomen diskwalificatie. De moderne mens die niet van zonde weten wil, die veroordeelt zichzelf tot de eis van perfectie. Dan moet je je hullen in vijgebladeren, want dan is er alle reden tot schaamte. De schaamte dat je iets verkeerd hebt gedaan, of: niet nóg beter. Wie God ongehoorzaam wordt, wordt zelf verantwoordelijk en zal afgerekend worden op alles wat er verkeerd of niet goed genoeg gaat. Dan is het nóóit goed genoeg, dan komt er geen einde aan het zweet des aanschijns en vindt je nooit rust. Want óf ben je bezig de concurrentie te verslaan, óf wordt je voorbij gestreefd door anderen die beter zijn. Wie de perfectie op zijn hals haalt, veroordeelt zich tot de mislukking van zijn leven. Dat gebeurt als je God de rug toe keert en het paradijs daarmee verlaat.
Maar God laat ons niet alleen. Hij geeft ons kleren van dierenvellen en geeft ons daarmee bescherming mee. Hij geeft. En wij mogen het als geschenk aanvaarden. En dat zal verlossing geven. Als we ons realiseren dat morele autonomie niet betekent dat we alles alleen moeten doen, maar dat we ons leven als geschenk mogen zien. Opnieuw als geschenk mogen zien. Met de kennis van goed en kwaad gaan we op pad, en als we die kennis recht in de ogen zien, dan zullen we onze ontoereikendheid ook moeten onderkennen. Maar geenszins diskwalificeert ons dat. Want de zonde wordt opgelost in de liefde van Christus. Daarom is het verstandig om over zonde en schuld te spreken, want we komen de perfectie voorbij en kunnen leven met onze ontoereikendheid. De waarde van het leven hoeven we niet zelf tegen de klippen op te bewijzen, maar mogen we ontvangen. Christus is de nieuwe Adam, omdat Hij terugkeerde naar de relatie met God en Zijn autonomie van Hem afhankelijk maakte.
Dat mogen wij ook doen: die morele autonomie is niet het einde, want zelf kunnen we kiezen om ons tot Christus te wenden en om ons leven van Hem afhankelijk te maken. Dan hervinden we het paradijs. Dat mag de centrale boodschap van het christelijk geloof zijn. Dat krijgt vorm in de doop. Daarin wordt de erfzonde afgewassen, in de zin dat de toegang tot God nooit geblokkeerd zal worden. Wat er ook aan ons schort, of zal gaan schorten, onze ontoereikendheid zal nooit het laatste woord hebben. Want God heeft dat: het eerste én het laatste Woord, dat een Woord van Genade is.
Amen
Deel deze preek
Genesis 3: 1-24
Van alle in het wild levende dieren die de HEER God gemaakt had, was de slang het sluwst. Dit dier vroeg aan de vrouw: ‘Heeft God werkelijk gezegd dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’ ‘We mogen de vruchten van alle bomen eten,’ antwoordde de vrouw, ‘behalve die van de boom in het midden van de tuin. God heeft ons verboden van de vruchten van die boom te eten of ze zelfs maar aan te raken; doen we dat toch, dan zullen we sterven.’ ‘Jullie zullen helemaal niet sterven,’ zei de slang. ‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, en dat jullie dan als God zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.’
De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan. Toen gingen hun beiden de ogen open en merkten ze dat ze naakt waren. Daarom regen ze vijgenbladeren aan elkaar en maakten er lendenschorten van.
Toen de mens en zijn vrouw de HEER God in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor Hem tussen de bomen. Maar de HEER God riep de mens: ‘Waar ben je?’ Hij antwoordde: ‘Ik hoorde U in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.’ ‘Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je soms gegeten van de boom waarvan Ik je verboden had te eten?’ De mens antwoordde: ‘De vrouw die U mij hebt gegeven om mij terzijde te staan, gaf mij vruchten van de boom en toen heb ik ervan gegeten.’ ‘Waarom heb je dat gedaan?’ vroeg de HEER God aan de vrouw. En zij antwoordde: ‘De slang heeft me misleid en toen heb ik ervan gegeten.’
De HEER God zei tegen de slang:
‘Vervloekt ben jij dat je dit hebt gedaan,
het vee zal je voortaan mijden,
wilde dieren wenden zich af;
op je buik zul je kruipen
en stof zul je eten,
je hele leven lang.
Vijandschap sticht Ik tussen jou en de vrouw,
tussen jouw nageslacht en het hare;
dat verbrijzelt jou de kop,
jij bijt het in de hiel.’
Tegen de vrouw zei Hij:
‘Je zwangerschap maak Ik tot een zware last,
zwoegen zul je als je baart.
Je zult je man begeren,
en hij zal over je heersen.’
Tegen de mens zei Hij:
‘Je hebt geluisterd naar je vrouw,
gegeten van de boom die Ik je had verboden.
Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan,
zwoegen zul je om ervan te eten,
je hele leven lang.
Dorens en distels zullen er groeien,
toch moet je van zijn gewassen leven.
Zweten zul je voor je brood,
totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen:
stof ben je, tot stof keer je terug.’
De mens noemde zijn vrouw Eva; zij is de moeder van alle levenden geworden. De HEER God maakte voor de mens en zijn vrouw kleren van dierenvellen en trok hun die aan.
Toen zei de HEER God: ‘Nu is de mens aan Ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad. Nu wil Ik voorkomen dat hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven.’ Daarom stuurde Hij de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde waaruit hij was genomen te gaan bewerken. En nadat Hij hem had weggejaagd, plaatste Hij ten oosten van de tuin van Eden de cherubs en het heen en weer flitsende, vlammende zwaard. Zij moesten de weg naar de levensboom bewaken.